ECLI:NL:CRVB:2002:AF3210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit premiecorrectie en niet-ontvankelijkheid bezwaar boetebesluit UWV
Appellant, voormalig werkgever, maakte bezwaar tegen een correctienota en een boetebesluit opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het primaire besluit over de correctienota onjuist was omdat het UWV na overlegging van een identiteitsbewijs het premiebedrag had verlaagd, maar het bezwaar niet gegrond had verklaard. Daarom werd het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de premiecorrectie betreft. Het bezwaar tegen het boetebesluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen tijdig en geldig bezwaar had gemaakt.
Verder wees de Raad het verzoek tot vergoeding van proceskosten in bezwaar af, omdat het besluit in eerste instantie niet onrechtmatig was genomen. Wel veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten in beide instanties en het griffierecht. De Raad handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het bedrag van de lagere premiecorrectie.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de premiecorrectie wordt deels gegrond verklaard, het bezwaar tegen de boete niet-ontvankelijk, en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.