ECLI:NL:CRVB:2002:AF3226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering en toepassing CAO-bepalingen
Appellant, die sinds 1971 bij dezelfde werkgever in dienst was, kreeg bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst een vergoeding toegekend en werd geconfronteerd met een fictieve opzegtermijn van 25 weken op grond van de CAO, langer dan de wettelijke termijn van vier maanden. Gedaagde, het UWV, stelde dat deze CAO-opzegtermijn correct was toegepast bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de CAO-bepaling niet in strijd was met de nieuwe wettelijke regeling van artikel 7:672 BW Pro, die sinds 1 januari 1999 geldt. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de CAO-bepalingen niet meer van toepassing waren sinds de Wet Flexibiliteit en Zekerheid en dat de wettelijke termijn van vier maanden moest gelden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de CAO-bepalingen, ook al zijn ze vóór 1999 tot stand gekomen, als schriftelijke afwijkingen binnen de grenzen van artikel 7:672 BW Pro blijven gelden. Daarbij moet het overgangsrecht van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid buiten beschouwing blijven bij de fictieve opzegtermijn. De Raad bevestigde dat de langere CAO-opzegtermijn van 25 weken terecht is toegepast en dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank in stand blijven.
De Raad wees ook op het belang van de tekst en geschiedenis van de wettelijke bepalingen en de CAO, en benadrukte dat afwijkingen binnen de wettelijke grenzen geoorloofd zijn. De uitspraak bevestigt de rechtszekerheid voor werknemers die onder oudere CAO-regelingen vallen, ook na wetswijzigingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de langere CAO-opzegtermijn van 25 weken geldt voor de fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering.