ECLI:NL:CRVB:2002:AF3465

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/3321 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een militair ambtenaar en de objectiviteit van beoordelaars

In deze zaak heeft appellant, een majoor werkzaam bij het Kenniscentrum, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage. De rechtbank had eerder het beroep van appellant tegen een besluit van de Staatssecretaris van Defensie ongegrond verklaard. Dit besluit betrof de beoordeling van appellant over de periode van 9 september 1996 tot 9 september 1997, die door twee beoordelaars was vastgesteld. Appellant stelde dat de beoordeling niet objectief was, mede door een verstoorde werkrelatie met de tweede beoordelaar, de commandant van het Kenniscentrum. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 1 augustus 2002, waarbij appellant in persoon verscheen en gedaagde vertegenwoordigd was door mr. G.J. Tummers.

De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de inhoud van de beoordeling had getoetst, terwijl de enige beroepsgrond van appellant was dat de beoordeling nietig verklaard moest worden vanwege gebrek aan objectiviteit. De Raad stelde vast dat de commandant, die de beoordeling had vastgesteld, niet bevoegd was om te beslissen op de door appellant gevraagde voorziening. Dit leidde tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kon blijven.

De Raad oordeelde verder dat de bijzondere omstandigheden in deze zaak, waaronder de aangifte van appellant tegen de commandant voor valsheid in geschrifte, de objectiviteit van de beoordeling in gevaar hadden gebracht. De Raad besloot dat de beoordeling van appellant moest komen te vervallen, en vernietigde zowel het bestreden besluit als de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat de Staat der Nederlanden het griffierecht aan appellant diende te vergoeden.

Uitspraak

99/3321 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 17 mei 1999, onder nr. AWB 98/9335 MAWKLA, gegeven uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage.
Namens gedaagde is in verweer volstaan met verwijzing naar hetgeen bij de behandeling van het geding in eerste aanleg van die zijde naar voren is gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 augustus 2002, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Tummers, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Over het functioneren van appellant, majoor van het [naam onderdeel] en destijds werkzaam in de functie van Hoofd Opleidingsplannen Kenniscentrum [naam kenniscentrum], is over de periode van 9 september 1996 tot 9 september 1997 een beoordeling opgemaakt door het Hoofd Kenniscentrum [naam kenniscentrum]. Deze eerste beoordelaar heeft op 13 maart 1998 een beoordelingsgesprek met appellant gehouden, waarna appellant schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen deze beoordeling bij de tweede beoordelaar. De tweede beoordelaar - de commandant [naam kenniscentrum] - heeft op 15 april 1998 zijn oordeel over de beoordeling met appellant besproken en de beoordeling vervolgens ongewijzigd vastgesteld. Appellant heeft op 19 mei 1998 tegen dit primaire besluit overeenkomstig de rechtsmiddelver-wijzing aan de voet van het besluit administratief beroep ingesteld bij gedaagde. Gedaagde heeft het beroep bij besluit van 2 november 1998, overeenkomstig het advies van het Adviesorgaan Bestuursrechtelijke Geschillen Koninklijke Landmacht (ABG), ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit van gedaagde ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep opnieuw naar voren gebracht dat de beoordeling niet met de vereiste objectiviteit tot stand is gekomen, nu sprake was van een ernstig verstoorde werkrelatie met de tweede beoordelaar, hetgeen naar zijn mening ook invloed heeft gehad op de beoordeling door de eerste beoordelaar. Gedaagde had op die grond de beoordeling vervallen moeten verklaren. Ten onrechte is de rechtbank ingegaan op de inhoud van de beoordeling, nu de enige beroepsgrond van appellant was dat de gehele beoordeling nietig verklaard moest worden op grond van het gebrek aan objectiviteit.
3.1. Allereerst stelt de Raad vast dat in het licht van het bepaalde in artikel 131 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en de artikelen 1:5 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten tijde hier van belang niet gedaagde maar de commandant die de beoordeling had vastgesteld, bevoegd was tot het beslissen op de door appellant gevraagde voorziening tegen de bij het primaire besluit van 15 april 1998 vastgestelde beoordeling. Het bestreden besluit kan derhalve reeds om deze reden niet in stand blijven.
3.2. De grief van appellant, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte de inhoud van de beoordeling heeft getoetst, treft doel. De rechtbank is hiermee de grenzen van het geschil te buiten gegaan, nu in beroep uitdrukkelijk slechts als grief tegen het bestreden besluit naar voren was gebracht dat de beoordeling in haar geheel niet in stand kon blijven vanwege een gebrek aan objectiviteit bij de beoordelaar(s). De rechtbank heeft hiermee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.
3.3. Ten aanzien van hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het gebrek aan objectiviteit bij met name de tweede beoordelaar wordt overwogen dat appellant de Raad ervan heeft kunnen overtuigen dat in het onderhavige geval een zodanig bijzondere situatie aanwezig was dat de beoordeling niet meer op voldoende objectieve wijze kon worden vastgesteld. De Raad acht het aannemelijk dat met name de aangifte door appellant bij de Marechaussee van valsheid in geschrifte gepleegd door de commandant van het Kenniscentrum [naam kenniscentrum], de tweede beoordelaar, bij een examen waarbij appellant als gecommitteerde betrokken was, heeft geleid tot een dusdanige graad van animositeit tussen de tweede beoordelaar en appellant dat die beoordelaar niet meer in staat was te achten zich op verantwoorde wijze een objectief oordeel te vormen over het functioneren van appellant en diens bezwaren tegen de door de eerste beoordelaar opgemaakte beoordeling. Dat slechts sprake zou zijn van een zakelijk verschil van inzicht, zoals door gedaagde en de rechtbank is aangenomen, acht de Raad niet aannemelijk, mede op grond van hetgeen appellant ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de wijze waarop hij na het aangifte-incident werd bejegend door de commandant, onder andere in enkele langdurige gesprekken en in het dagelijks werk. Een en ander heeft ertoe geleid dat hij enkele weken ziek thuis is geweest en aansluitend elders tewerk is gesteld.
3.4. Omdat in artikel 131 van het AMAR - zoals herhaald in de Beleidsregel beoordeling militairen Koninklijke landmacht - is bepaald dat de beoordeling in beginsel wordt opgemaakt door een eerste en een tweede beoordelaar en dat deze tweede beoordelaar in beginsel de commandant is van de beoordeelde, is afwijking van deze systematiek, zoals ook in de nota van toelichting bij artikel 131 van het AMAR is vermeld, mogelijk in gevallen dat het volgen van de systematiek tot onwenselijke situaties leidt. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in dit geval sprake. De commandant had niet zelf als tweede beoordelaar moeten optreden.
4. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen komen moet het bestreden besluit worden vernietigd zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
4.1. In de onderhavige situatie, waarin door appellant ook ten aanzien van de eerste beoordelaar reeds in de eerste fase een gebrek aan objectiviteit aan de orde is gesteld en ook de Raad heeft vastgesteld dat de eerste beoordelaar zeer nauw betrokken is geweest bij het examen- en aangifte-incident, ziet de Raad aanleiding om, overeenkomstig het in hoger beroep herhaalde verzoek van appellant, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat de onderhavige beoordeling komt te vervallen, welke beslissing in de plaats treedt van het bestreden besluit.
4.2. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
5. Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit van gedaagde van 2 november 1998;
Bepaalt dat de op 15 april 1998 over het functioneren van appellant vastgestelde beoordeling komt te vervallen;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2002.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.J.W. Loots.