ECLI:NL:CRVB:2002:AF3477

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/3952 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over uitkering vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende motivering invaliditeit en grondslag

Eiser, geboren in 1929, diende in 1997 een aanvraag in voor erkenning als vervolgde en toekenning van een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen vanwege psychische en lichamelijke klachten die hij aan zijn oorlogservaringen toeschrijft. Verweerster kende een uitkering toe met als peildatum 1997, het jaar waarin eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, en stelde de grondslag vast op het wettelijk minimum.

Eiser voerde in beroep aan dat zijn psychische klachten eerder invaliderend waren en dat bij de berekening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden met zijn inkomsten uit arbeid na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De Raad oordeelde dat de medische adviezen waarop verweerster zich baseerde onvoldoende onderbouwing boden voor het tijdstip van invalidering in 1997. Ook achtte de Raad nader onderzoek noodzakelijk naar de financiële situatie van eiser vanaf 1982.

De Raad stelde dat verweerster in het algemeen mag aannemen dat iemand na pensioengerechtigde leeftijd niet meer op arbeidsinkomen is aangewezen, maar dat in dit geval de concrete omstandigheden van eiser een andere beoordeling vereisen. Het bestreden besluit ontbeerde een deugdelijke motivering en werd daarom vernietigd. Verweerster werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

00/3952 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Duitsland), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 31 maart 2000, kenmerk JZ/A70/2000/217, ten aanzien van eiser een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) en de aanvulling daarop is uiteengezet waarom eiser het met het besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd bij brief van 12 maart 2001. Bij brieven van 14 augustus 2002 en van 16 augustus 2002 (met bijlagen) zijn door eiser nog nadere gegevens verstrekt .
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 september 2002. Aldaar is eiser in persoon verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door C.J. van der Zaan, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren [in] 1929, heeft in oktober 1997 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen ter zake van psychotherapie en ongedekte medische kosten ten behoeve van linkerarmklachten en bloedarmoede. In dit verband heeft eiser gesteld dat hij deze gezondheidsklachten heeft overgehouden aan hetgeen hij in de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt.
Bij besluit van 28 mei 1999 is eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijkgesteld met een vervolgde, waarbij causaal verband is aanvaard tussen zijn psychische klachten en zijn oorlogservaringen. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de bij eiser bestaande lichamelijke klachten. Bij dit besluit is - voor zover nog van belang - aan eiser tevens met ingang van 1 oktober 1997 een periodieke uitkering toegekend, waarbij de grondslag is vastgesteld op het wettelijk minimum van f 3.140,-- per maand, alsmede een vergoeding voor de door zijn behandelend arts voorgeschreven medische behandeling en medicijnen in verband met zijn uit de vervolging voort-vloeiende psychische klachten.
Bij dit besluit, zoals in bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, is verweerster er bij de vaststelling van de grondslag van de aan eiser toegekende periodieke uitkering van uitgegaan dat de psychische klachten die voortvloeien uit de omstandigheden waaronder eiser de oorlog heeft meegemaakt niet eerder dan in 1997 invaliderend tot uiting zijn gekomen en dat eiser toen reeds de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en niet meer was aangewezen op inkomsten uit arbeid.
In beroep heeft eiser zijn standpunt gehandhaafd dat zijn psychische klachten reeds eerder dan 1997 invaliderend tot uiting zijn gekomen en dat hij ook na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd in het peiljaar 1997 inkomen uit arbeid heeft verworven en dat bij de berekening van de grondslag met dit beroepsinkomen rekening gehouden had dienen te worden.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Het standpunt van verweerster dat het tijdstip van invalidering van eiser is te plaatsen in 1997 is gebaseerd op de adviezen van haar geneeskundig adviseurs. De arts G.L.G. Kho heeft ten aanzien van eiser vastgesteld dat eiser in het verleden meermalen van baan is gewisseld, maar dat uit objectieve gegevens van destijds niet blijkt dat de oorzaak daarvan in zijn causaal psychische klachten is gelegen. Wel wordt geconcludeerd dat eisers psychische klachten beperkingen geven in zijn sociaal functioneren en dat dit functioneren verminderd is ten opzichte van leeftijdgenoten. Het peiljaar voor toekenning van de periodieke uitkering wordt daarbij in 1997 gelegd. Uit de in het kader van de bezwaarschriftprocedure nader ingewonnen informatie door de arts P. Wessels is vervolgens gebleken dat reeds in 1982 gesproken kon worden van invaliditeit op grond van causale ziekten of gebreken, maar dat op grond van de aanwezige stukken niet geconcludeerd kon worden dat er sprake is van een financiële knik en dat eiser daarna op een lager niveau heeft gefunctioneerd.
Gelet op de voorhanden inkomensgegevens van eiser, van zowel vóór als na 1982, vervat in eisers op 2 maart 2000 bij verweerster ingekomen brief, is de Raad van oordeel dat het standpunt van verweerster niet zonder meer kan worden geschraagd door de daaraan ten grondslag liggende adviezen van haar geneeskundig adviseurs. Tegen de achtergrond van het door eiser opgegeven inkomen als zelfstandige vóór 1982 acht de Raad een nader onderzoek naar de mogelijke achteruitgang van de financiële situatie van eiser in 1982 in relatie tot zijn causale psychische klachten in dezen geboden.
Nu het bestreden besluit op dit onderdeel een draagkrachtige motivering ontbeert, dient het met toepassing van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.
Met betrekking tot berekening van de grondslag van de periodieke uitkering merkt de Raad ten overvloede op dat verweerster er in het algemeen van mag uitgaan dat degene die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt niet meer is aangewezen op inkomsten uit beroep of bedrijf. Voor hem die ook na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geheel of gedeeltelijk blijft werken ter verwerving van inkomsten, zoals in casu eiser die als zelfstandig adviseur werkzaam is gebleven, zal de vraag of hij niet (langer) aangewezen was op inkomsten uit arbeid, dienen te worden beantwoord aan de hand van de zich in het concrete geval voordoende omstandigheden, zoals het aantal jaren waarmee de leeftijd van 65 wordt overschreden, de inkomsten die betrokkene met het bereiken van de 65-jarige leeftijd in de vorm van pensioen en of vergelijkbare uitkeringen ter beschikking zijn komen te staan, de hoogte van het totaal van zijn inkomsten in relatie tot een vroeger in beroep of bedrijf bereikt inkomensniveau en de levensbehoeften van het betreffende gezin. Gelet op de inkomenssituatie van eiser bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ziet de Raad op voorhand in de beschikbare gegevens onvoldoende grond voor de conclusie dat eiser in 1997 niet langer (ook) was aangewezen op inkomsten uit beroep of bedrijf.
Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden en dient het beroep grond te worden verklaard.
De Raad ziet, tot slot, termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en verweerster te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser, die hij begroot op € 337,30 als reis- en verblijfkosten. De kosten gemaakt door eisers echtgenote alsmede die van de verlenging van het verblijf in Nederland komen niet voor vergoeding in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Gelast dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het griffierecht van € 27,23 vergoedt;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser, groot € 337,30, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2002.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) L. Jörg.
HD
24.09