ECLI:NL:CRVB:2002:AF3784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering ondanks langere contractuele termijn
Appellante, sinds 1991 in dienst bij haar werkgever, kreeg haar arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 november 1999 met een vergoeding toegekend door de kantonrechter. Naar aanleiding van haar aanvraag voor een WW-uitkering stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de fictieve opzegtermijn vast op drie maanden, waarbij een maand in mindering werd gebracht vanwege de RDA-maand. Dit terwijl in haar arbeidsovereenkomst een opzegtermijn van vier maanden was opgenomen.
Appellante ging in hoger beroep tegen deze vaststelling en stelde dat de fictieve opzegtermijn gelijk moet zijn aan de wettelijke opzegtermijn van twee maanden, zoals bepaald in artikel 7:672 BW Pro, en dat contractuele afspraken over langere termijnen niet zonder meer van kracht blijven na ingrijpende wetswijzigingen.
De Raad oordeelde dat artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet verwijst naar de gehele bepaling van artikel 7:672 BW Pro, inclusief de mogelijkheid om bij overeenkomst af te wijken binnen wettelijke grenzen. De parlementaire geschiedenis bevestigt dat ook contractuele en collectieve afspraken over opzegtermijnen moeten worden meegenomen bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn. De Raad zag geen reden om oudere contractuele afspraken zonder uitdrukkelijke herbevestiging te negeren.
Daarom werd het besluit van het Uwv bevestigd dat de fictieve opzegtermijn vier maanden bedraagt, en dat appellante tot 1 december 1999 recht heeft op loon doorbetaling, waardoor haar recht op WW-uitkering tot die datum wordt ontzegd.
Uitkomst: De fictieve opzegtermijn wordt vastgesteld op de contractueel overeengekomen termijn van vier maanden, waardoor appellante recht heeft op loonbetaling tot 1 december 1999 en haar WW-uitkering tot die datum wordt ontzegd.