ECLI:NL:CRVB:2002:AF4766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdigheid aanvraag WAO-uitkering en gevolgen voor toekenning
Appellant vroeg een WAO-uitkering aan na het staken van zijn werkzaamheden wegens gezondheidsklachten. Gedaagde, het UWV, stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25% en kende een uitkering toe met terugwerkende kracht vanaf 11 augustus 1998. Appellant stelde dat de aanvraag tijdig was ingediend en dat de kennisgeving onduidelijk was, met name over de termijn van twee weken in plaats van vier weken.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en verklaarde het beroep gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad stelt vast dat de brief van 26 mei 1998 als kennisgeving in de zin van artikel 34, tweede lid, WAO moet worden aangemerkt en dat appellant niet binnen de vereiste termijn van vier weken heeft gereageerd.
Hierdoor kan de aanvraag niet als tijdig worden beschouwd. Het UWV heeft daarom terecht de beslissing tot toekenning van de WAO-uitkering uitgesteld totdat duidelijkheid bestond over de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.