ECLI:NL:CRVB:2002:AF4812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Toekenning plaatsingsbudget aan werkgever arbeidsgehandicapte bij overgang dienstverband
Werknemer P was aanvankelijk in dienst bij werkgever X, maar werd wegens ziekte gedetacheerd bij A B.V. Vanaf 1 januari 2000 trad P in dienst bij A B.V. voor onbepaalde tijd. A B.V. vroeg een plaatsingsbudget aan, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd omdat al eerder een loonkostensubsidie aan X was verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep van A B.V. gegrond en vernietigde het besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet REA de toekenning van een plaatsingsbudget afhankelijk is van het bestaan van een dienstbetrekking van ten minste zes maanden tussen werkgever en arbeidsgehandicapte. De tekst van deze bepaling laat geen ruimte voor een engere uitleg.
De Raad constateert dat A B.V. en X zelfstandige vennootschappen zijn, ondanks dat zij beide dochterondernemingen zijn van dezelfde moedermaatschappij. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat subsidies aan X ook aan A B.V. toerekenbaar zijn. Omdat A B.V. voor het eerst werkgever van P is geworden per 1 januari 2000, is er geen grond om het plaatsingsbudget te weigeren op basis van eerdere subsidies.
Het beroep op kennelijk onbedoeld gebruik en andere weigeringsgronden uit de Regeling werkgeverssubsidies REA faalt eveneens, omdat deze alleen van toepassing zijn indien een weigeringsbevoegdheid op grond van het vierde lid van artikel 17 Wet Pro REA bestaat. De Raad beveelt dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar neemt, rekening houdend met deze overwegingen, en veroordeelt het UWV in de proceskosten van A B.V.
Uitkomst: Het UWV moet een plaatsingsbudget toekennen aan A B.V. als werkgever van de arbeidsgehandicapte werknemer.