ECLI:NL:CRVB:2002:AF9076
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- G.L.M.J. Stevens
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs onderduik en vrijheidsberoving
Eiser, een Sinti-zigeuner geboren in 1940 in Duitsland, vroeg in 1999 om erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij en zijn familie tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgd werden vanwege hun zigeunerachtergrond, waarbij zijn vader in militaire dienst was en zijn moeder zich had laten steriliseren om vervolging te ontlopen.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser vrijheidsberoving had ondergaan of ondergedoken was geweest om aan vervolging te ontkomen. De Raad hanteert een uitgangspunt dat onderduik bij vol- en halfzigeuners wordt vermoed indien zij tijdens de razzia's van mei 1944 zijn gevlucht, maar erkent dat dit uitgangspunt vooral op de Nederlandse situatie is gebaseerd en dat een individuele beoordeling per land noodzakelijk is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verblijfplaatsen van eiser tijdens de oorlog, waaronder een bekend adres en ziekenhuisopname, bij de Duitse autoriteiten bekend waren en dat er geen sprake was van een reële onderduiksituatie. Gezien het feit dat de vader in actieve dienst was en de moeder was vrijgesteld van vervolging, was er geen noodzaak tot onderduik. Daarom kon niet worden vastgesteld dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee blijft het bestreden besluit in stand dat de aanvraag van eiser afwijst wegens onvoldoende bewijs van vervolging of onderduik.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij tijdens de oorlog onder vrijheidsberoving heeft gestaan of ondergedoken is geweest.