Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2002:AF9076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/5501 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs onderduik en vrijheidsberoving

Eiser, een Sinti-zigeuner geboren in 1940 in Duitsland, vroeg in 1999 om erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij en zijn familie tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgd werden vanwege hun zigeunerachtergrond, waarbij zijn vader in militaire dienst was en zijn moeder zich had laten steriliseren om vervolging te ontlopen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser vrijheidsberoving had ondergaan of ondergedoken was geweest om aan vervolging te ontkomen. De Raad hanteert een uitgangspunt dat onderduik bij vol- en halfzigeuners wordt vermoed indien zij tijdens de razzia's van mei 1944 zijn gevlucht, maar erkent dat dit uitgangspunt vooral op de Nederlandse situatie is gebaseerd en dat een individuele beoordeling per land noodzakelijk is.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verblijfplaatsen van eiser tijdens de oorlog, waaronder een bekend adres en ziekenhuisopname, bij de Duitse autoriteiten bekend waren en dat er geen sprake was van een reële onderduiksituatie. Gezien het feit dat de vader in actieve dienst was en de moeder was vrijgesteld van vervolging, was er geen noodzaak tot onderduik. Daarom kon niet worden vastgesteld dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee blijft het bestreden besluit in stand dat de aanvraag van eiser afwijst wegens onvoldoende bewijs van vervolging of onderduik.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij tijdens de oorlog onder vrijheidsberoving heeft gestaan of ondergedoken is geweest.

Uitspraak

00/5501 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 29 september 2000, kenmerk JZ/m60/2000/823, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Namens eiser heeft mr. J.C.M. van Berkel, als advocaat verbonden aan het Bureau voor Rechtshulp Zuid-Oost Nederland te Heerlen, tegen dat besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 september 2002. Aldaar is voor eiser verschenen mr. Van Berkel voornoemd, en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die is geboren [in] 1940 te Remscheid (Duitsland), in oktober 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem te erkennen als vervolgde in de zin van de Wet en hem een periodieke uitkering en voorzieningen toe te kennen. In dit verband heeft eiser gesteld dat hij als behorende tot de Sinti-zigeuners met zijn ouders in een woonwagen in Duitsland woonde. Zijn vader heeft zich in 1942 vrijwillig bij het Duitse leger aangemeld, waarna moeder met haar vijf kinderen zich vestigde op een adres te Remscheid. Na aangifte door zijn moeder dat zijn vader zigeuner was, is vader tijdens zijn verlof in 1944 uit militaire dienst ontslagen en vervolgens op transport naar Rusland gesteld, waaruit hij na gevangenschap in 1949 is teruggekeerd. Zijn moeder is als zigeunerin van vervolging vrijgesteld omdat zij zich in 1944 heeft laten steriliseren. Het gezin heeft in de oorlog bombardementen meegemaakt en eiser is samen met zijn broer in het ziekenhuis in Remscheid opgenomen geweest wegens ondervoeding, difterie en schurft.
Bij besluit van 8 mei 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag van eiser afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat eiser op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan of ondergedoken is geweest om aan zodanige vrijheidsberoving te ontkomen, zodat hij geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Verweerster hanteert bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet, als uitgangspunt dat ten aanzien van vol- en halfzigeuners wordt uitgegaan van de veronderstelling dat, indien zij tijdens de razzia's van 16 mei 1944 zijn gevlucht en vervolgens uit handen van de bezetter zijn gebleven, ondergedoken zijn geweest om aan vervolging te ontkomen en dat het begrip onderduik daarbij, onder meer gelet op aard en karakter van de betrokken groep, ruim wordt opgevat.
Naar blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is dit uitgangspunt evenwel geënt op de Nederlandse situatie. Naar het oordeel van verweerster is dit uitgangspunt bij de beoordeling van de situatie van zigeuners in andere landen niet zonder meer in overeenkomstige zin te hanteren, doch dient dan een individuele beoordeling plaats te vinden met inachtneming van de feitelijke omstandigheden zoals die zich in het betreffende land daadwerkelijk hebben voorgedaan.
De Raad acht, mede onder verwijzing naar zijn jurisprudentie in gevallen waarin uit de geverifieerde feiten en omstandigheden blijkt dat het voormelde uitgangspunt niet toepasselijk is, een dergelijke benadering van verweerster niet in strijd met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 2 van Pro de Wet.
Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat eiser behoort tot de Sinti-zigeuners. Vanaf zijn geboorte tot heden bezit hij de Duitse nationaliteit en in de oorlogsjaren was hij woonachtig in Duitsland.
Op grond van de voorhanden gegevens kan niet worden vastgesteld dat eiser tijdens de oorlogsjaren vrijheidsberoving heeft ondergaan of dat hij ondergedoken is geweest om aan vrijheidsberoving te ontkomen. In dit verband is van belang dat eiser, nadat zijn vader zich bij het Duitse leger had gemeld, van 1942 tot 1944 verbleef op het adres Bliedinghausen 47 in Remscheid. Vanaf november/december 1944 tot het einde van de oorlog was hij opgenomen in het ziekenhuis te Remscheid. Deze verblijfplaatsen van eiser gedurende de oorlogsjaren waren bij de Duitse autoriteiten bekend. Omdat eisers vader in actieve dienst zat en moeder zich had laten steriliseren, waardoor zij als zigeunerin van vervolging was vrijgesteld, was er geen noodzaak tot onderduik. Mitsdien kan van een reële onderduiksituatie niet worden gesproken.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het besluit dan ook geen grond, zodat het daartegen ingestelde beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2002.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) L. Jörg.