ECLI:NL:CRVB:2002:BL7348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid bij toekenning WW-uitkering na ontslag wegens bedreiging en discriminatie
Appellant werkte sinds 1980 als barkeeper en zegde zijn arbeidsovereenkomst op wegens bedreigingen en discriminatie door klanten en collega’s. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Na bezwaar werd een uitkering toegekend met een korting van 35% gedurende 26 weken.
In hoger beroep betwist appellant de verwijtbaarheid en stelde dat voortzetting van het dienstverband zijn gezondheid zou schaden, ondersteund door een psycholoog. De Raad oordeelde dat het niet aannemelijk was dat ontslagname zonder eerst ander werk te vinden de enige redelijke mogelijkheid was, mede omdat appellant tijdens de opzegtermijn bleef doorwerken en eerder met huisarts en psycholoog een oplossing had gevonden.
De verklaring van de psycholoog dat stoppen met werken werd geadviseerd vóór ontslag was niet overtuigend. De Raad bevestigde daarom het besluit tot toekenning van de WW-uitkering met de maatregel van 35% korting en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van een WW-uitkering met een korting van 35% gedurende 26 weken wordt bevestigd.