ECLI:NL:CRVB:2002:BR0821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en boeteoplegging
Appellante ontving bijstand na echtscheiding, berekend als eenoudergezin. Na vermoeden van gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot [M.] werd een onderzoek ingesteld, waarbij werd vastgesteld dat [M.] sinds 1 augustus 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van het betaalde bedrag.
De Raad bevestigt dat sprake was van gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). De verklaringen van appellante en [M.] tijdens het onderzoek worden als betrouwbaar beoordeeld, ondanks het ontbreken van rechtsbijstand. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting niet nagekomen, wat rechtvaardigt dat de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd.
De Raad oordeelt echter dat gedaagde niet gerechtigd is het volledige bedrag terug te vorderen zonder nadere onderbouwing van de daadwerkelijke inkomsten van [M.]. Daarom dient een nieuw besluit te worden genomen over de hoogte van de terugvordering. Ook de boete, aanvankelijk vastgesteld op 15%, is onjuist berekend en moet opnieuw worden vastgesteld op basis van het juiste benadelingsbedrag.
De toekenning van bijstand vanaf 28 oktober 1997 wordt bevestigd, omdat vanaf die datum geen gezamenlijke huishouding meer bestond. De Raad veroordeelt gedaagde tot betaling van proceskosten aan appellante. Het beroep wordt deels gegrond verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd voor zover zij de terugvordering en boete betreffen.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wordt bevestigd, maar terugvordering en boete worden vernietigd en moeten opnieuw worden vastgesteld.