ECLI:NL:CRVB:2003:AF4522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-voorschot bij ontbreken betalingsonmacht werkgever
Appellant werd op staande voet ontslagen en betwistte dit ontslag. Hij vroeg WW-voorschotten aan, die aanvankelijk werden toegekend op grond van onzekerheid over loonbetaling. Na een rechterlijke uitspraak dat het ontslag nietig was, weigerde het UWV verdere WW-uitkeringen omdat de werkgever gehouden was loon door te betalen.
Appellant stelde dat hij recht had op een voorschot op grond van artikel 31 lid 3 sub b WW Pro, dat voorschotten toekent indien het recht op loonbetaling vaststaat maar de werkgever niet betaalt. Het UWV handhaafde de weigering, stellende dat dit voorschot alleen geldt bij betalingsonmacht van de werkgever, niet bij betalingsonwil.
De rechtbank oordeelde dat alleen bij betalingsonmacht een voorschot op grond van dit artikel kan worden toegekend en dat appellant onvoldoende feiten had gesteld die wijzen op betalingsonmacht. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van het WW-voorschot wordt bevestigd.