ECLI:NL:CRVB:2003:AF4656

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/6366 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K. Zeilemaker
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbBurgerlijk Wetboek
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering studiekosten na voortijdig vertrek ambtenaar

Appellant heeft een overeenkomst ondertekend waarin hij zich verbond tot het volgen van een interne opleiding en een bindingstermijn van drie jaar bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SZW). Bij voortijdig vertrek binnen deze termijn moet hij de studiekosten terugbetalen.

Na zijn eervol ontslag op eigen verzoek vorderde de gemeente Den Haag de studiekosten terug. Appellant voerde aan dat de terugvordering niet via een bestuursrechtelijk besluit kon plaatsvinden en dat de overeenkomst nietig was wegens strijd met het Burgerlijk Wetboek.

De Raad oordeelt dat de terugvordering een bestuursrechtelijk besluit is en dat de ambtenaar gebonden is aan zijn akkoordverklaring, tenzij deze onhoudbaar is. De Raad vindt geen aanwijzingen dat appellant niet vrijelijk heeft ingestemd en bevestigt dat de terugvordering terecht is, mede omdat appellant zelf vroegtijdig vertrok. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van studiekosten door de gemeente na voortijdig vertrek van de ambtenaar binnen de bindingstermijn.

Uitspraak

00/6366 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 november 2000, nr. AWB 99/10930 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2002, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Kauffman, werkzaam bij Leeuwendaal Advies.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.
1.1. Appellant heeft op 10 februari 1997 een "Overeenkomst inzake de bindingsclausule op de interne opleiding voor aspirant sociaal bijstandsambtenaren bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten" (hierna: de Overeenkomst) ondertekend. In de Overeenkomst heeft appellant zich verbonden de interne SBA-opleiding van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SZW) te volgen, waarvan de kosten voor het theoretische gedeelte f 12.000,- bedragen. Verder is in de Overeenkomst onder meer bepaald dat, na het gevolgd hebben van de opleiding, de aspirant sociaal bijstandsambtenaar zich aan de dienst SZW verbindt voor een periode van drie jaar en dat bij het verlaten van de dienst SZW binnen die periode de kosten van de interne opleiding - behoudens afbouw in de laatste tien maanden van de bindingsperiode - door de betrokkene worden terugbetaald in de maand volgend op die waarin men ontslag heeft gekregen, dan wel anderszins de dienst SZW heeft verlaten.
1.2. Vervolgens heeft gedaagde appellant met ingang van 1 mei 1997 aangesteld in tijdelijke dienst van de gemeente, in de betrekking van sociaal bijstandsmedewerker bij de dienst SZW.
1.3. Bij besluit van 23 november 1998 heeft gedaagde appellant op diens verzoek met ingang van 1 december 1998 eervol ontslag verleend.
1.4. Bij besluit van 17 februari 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 oktober 1999, heeft gedaagde van appellant aan terug te betalen studiekosten een bedrag van f 12.000,- (thans € 5.445,36) teruggevorderd. Het hiertegen door appellant ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij de Overeenkomst gaat om een overeenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente Den Haag. Zijns inziens was gedaagde niet bevoegd de daarin bedoelde studiekosten bij besluit, dus langs publiekrechtelijke weg, van hem terug te vorderen en is de ambtenarenrechter niet bevoegd van het geschil over die terugvordering kennis te nemen. Appellant heeft erop gewezen dat voor het opleggen van een bindingstermijn met terugbetalingsverplichting in zijn geval geen grondslag is te vinden in de geldende rechtspositionele voorschriften. Hij is voorts van mening dat de Overeenkomst op dit punt nietig is wegens strijd met hetgeen in het Burgerlijk Wetboek is bepaald omtrent boetebedingen.
2.1. De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. Als vaststaand moet worden aangenomen dat ten tijde hier van belang in het Ambtenarenreglement 's-Gravenhage uitsluitend was voorzien in terugbetaling van studiefaciliteiten die aan de ambtenaar op diens verzoek zijn verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu gedaagde het volgen van de interne SBA-opleiding verplicht heeft gesteld. Gedaagde hanteert evenwel de vaste beleidslijn om aan aspirant ambtenaren van de dienst SZW, voorafgaande aan hun indienstneming, een regeling als vervat in de Overeenkomst ter ondertekening voor te leggen. Deze beleidslijn heeft de instemming van de ondernemingsraad verkregen en is opgenomen in het Handboek Personeelszaken. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat aldus het ondertekenen van de Overeenkomst als voorwaarde wordt gesteld voor het verkrijgen van een aanstelling als ambtenaar en dat de bevoegdheid tot het stellen van die voorwaarde - evenals het formuleren van beleid ter zake - in de aanstellingsbevoegdheid van gedaagde besloten ligt. Juist is ook het oordeel van de rechtbank dat de gebondenheid van de ambtenaar aan de inhoud van de Overeenkomst niet voortvloeit uit het burgerlijk recht, doch berust op het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor de overheid maar ook voor de ambtenaar geldt. Dit beginsel brengt naar vaste jurisprudentie met zich mee dat de ambtenaar in beginsel gehouden is tot nakoming van een toezegging of akkoordverklaring welke hij vrijwillig en zonder dwaling jegens een bestuursorgaan heeft gedaan of afgelegd, tenzij het onderwerp van die toezegging of akkoordverklaring op zodanige wijze in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift of anderszins zodanig onhoudbaar of ontoelaatbaar is, dat het bestuursorgaan niet van de ambtenaar had mogen vergen daarmee in te stemmen (CRvB 14 juli 1983, gepubliceerd in TAR 1984, 7, CRvB 3 januari 1985, gepubliceerd in TAR 1985, 57 en CRvB 11 juli 2002 in het geding 00/2781 e.v. AW, niet gepubliceerd).
2.2. De onderhavige terugvorderingsbeslissing is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van die wet bezwaar en beroep open staat. Omdat het besluit appellant raakt in diens hoedanigheid van (gewezen) ambtenaar, is de Raad de bevoegde hoger-beroepsrechter.
2.3. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant niet in vrijheid met de inhoud van de Overeenkomst heeft ingestemd. Dat hij destijds op de arbeidsmarkt in een nadelige positie verkeerde is - wat er overigens van zij - daarvoor niet voldoende. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat appellant niet aan zijn akkoordverklaring, neergelegd in de Overeenkomst, kan worden gehouden.
2.4. Nu appellant 18 maanden na zijn indiensttreding op eigen verzoek de dienst SZW heeft verlaten, was gedaagde bevoegd de kosten van het theoretische gedeelte van de SBA-opleiding in hun geheel terug te vorderen.
3. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van deze bevoegdheid in volle omvang gebruik te maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en voegt daaraan nog toe dat, naar ter zitting is gebleken, de dienstbetrekking uitsluitend is beëindigd omdat appellant het bij afweging van voor- en nadelen in zijn eigen belang achtte reeds binnen de bindingstermijn een werkkring elders te aanvaarden. Ook is naar voren gekomen dat gedaagde met de hoogte van het teruggevorderde bedrag rekening heeft gehouden door appellant toe te staan de terugbetaling in de tijd te spreiden.
4. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2003.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.