ECLI:NL:CRVB:2003:AF5185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- F.P. Dresselhuys-Doeleman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit korting aanvullende studiebeurs ondanks inkomensverdeling bij gehuwden
Appellanten, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en elk met kinderen uit eerdere huwelijken, maakten bezwaar tegen de vaststelling van de korting op aanvullende studiebeurzen voor hun kinderen over het jaar 2000. De korting was gebaseerd op het fiscaal belastbaar inkomen van 1997, waarbij het inkomen van de meestverdienende ouder leidde tot een relatief lage korting voor diens kinderen en een hogere korting voor de kinderen van de andere ouder. Appellanten stelden dat deze inkomensverdeling onrechtvaardig was en vroegen toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de wetgever met de regeling in de Wet op de studiefinanciering (WSF) bewust heeft gekozen voor het fiscaal belastbaar inkomen als grondslag, waardoor indirect het inkomen van een nieuwe partner invloed kan hebben op de korting. Dit is niet onaanvaardbaar en vormt geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule.
De Raad benadrukte dat alleen in zeer bijzondere individuele omstandigheden, die hier niet aanwezig zijn, toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. Gezien de relatief geringe kortingsbedragen en het ontbreken van dergelijke omstandigheden, werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit over de korting op de aanvullende studiebeurzen wordt bevestigd.