ECLI:NL:CRVB:2003:AF5518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid na overgang van onderneming
Appellante was sinds 1991 werkzaam als administratief medewerkster bij een klein bedrijf dat per 1 januari 2002 werd overgenomen door een andere onderneming. Zij stemde in met de beëindiging van haar dienstverband, omdat haar werkgever aangaf te stoppen met de bedrijfsvoering. Gedaagde stelde haar werkloosheid verwijtbaar en weigerde haar WW-uitkering op grond van de artikelen 24 en 27 van de WW.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van overgang van onderneming en handhaafde de weigering van de uitkering. In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel en stelde dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet verwijtbaar was. De Raad oordeelde dat er inderdaad sprake was van overgang van onderneming en dat appellante te lichtvaardig had gehandeld door zonder onderzoek in te stemmen met haar ontslag, terwijl zij haar dienstverband had kunnen voortzetten.
Desondanks achtte de Raad de verwijtbaarheid niet in overwegende mate aanwezig, mede gelet op de omstandigheden, zoals het kleine bedrijf, de betrokkenheid van familieleden en het ontbreken van volledige openheid van de werkgever. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de matiging van de verwijtbaarheid. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.