ECLI:NL:CRVB:2003:AF6266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante was sinds 1985 in dienst bij verschillende werkgevers in administratieve functies. Na terugkeer van zwangerschaps- en ouderschapsverlof ontstond onvrede over functiewijzigingen, wat leidde tot overleg met de werkgever en professionele rechtsbijstand. De arbeidsovereenkomst werd op verzoek van appellante ontbonden wegens een verstoring van de arbeidsrelatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden door zelf om ontbinding te verzoeken, waardoor zij blijvend geheel werd geweigerd voor een WW-uitkering. In hoger beroep betwistte appellante dit en stelde dat de werksituatie onhoudbaar was en de maatregel disproportioneel.
De Raad overwoog dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden, maar achtte de verwijtbaarheid niet zodanig dat de blijvende gehele weigering gerechtvaardigd was. De Raad stelde vast dat de beëindiging van het dienstverband niet in overwegende mate aan appellante kon worden toegerekend, mede vanwege de functiewijzigingen en het overleg met de werkgever.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de blijvende gehele weigering betrof en bepaalde dat een nieuw besluit met een verlaagd uitkeringspercentage moet worden genomen. Tevens werd het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen met een verlaagd uitkeringspercentage.