ECLI:NL:CRVB:2003:AF7554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Recht op loondoorbetaling volgens CAO versus WW-uitkering bij arbeidsongeschiktheid
In deze zaak staat centraal of het recht op doorbetaling van loon volgens artikel 37 van Pro de CAO voor het Ziekenhuiswezen moet worden aangemerkt als recht op onverminderde loondoorbetaling of slechts als een aanvulling op de WW-uitkering. Gedaagde was arbeidsongeschikt en ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering. Zij ontving daarnaast doorbetaling van loon van haar werkgever gedurende een periode van maximaal 24 maanden.
Appellant, het UWV, stelde dat artikel 37 van Pro de CAO een suppletieverplichting inhoudt waarbij het loon wordt verminderd met de ontvangen uitkering. De rechtbank had dit anders beoordeeld en het UWV in het ongelijk gesteld. De Centrale Raad van Beroep vernietigt echter de uitspraak van de rechtbank en stelt dat het recht op loondoorbetaling volgens artikel 37 van Pro de CAO niet gelijk is aan onverminderde doorbetaling van loon, maar een regeling is die het inkomen van de werknemer behoudt door aanvulling op de uitkering.
De Raad baseert dit oordeel op de tekst van artikel 37 en Pro de samenhang met andere bepalingen in de CAO, waaronder het derde lid van artikel 37 en Pro artikel 39, tweede lid. Hieruit blijkt dat de werkgever slechts aanvullend verplicht is tot betaling, waarbij sociale verzekeringen voorrang hebben. De Raad verklaart het beroep van het UWV gegrond en vernietigt het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaard.