ECLI:NL:CRVB:2003:AF7561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep van een werknemer tegen een besluit van het UWV gegrond verklaarde. De werknemer was op staande voet ontslagen wegens vermeend onrechtmatig gedrag, maar kwam met de werkgever tot een schikking waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 november 1998 werd ontbonden. Het UWV had de werknemer verwijtbaar werkloos geacht en de uitkering geweigerd.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer wel degelijk inhoudelijk verweer had gevoerd tegen het ontslag, maar dit had opgegeven na een voorlopig oordeel van de kantonrechter. De rechtbank achtte de verwijtbaarheid van werkloosheid niet aannemelijk omdat de werknemer niet onnodig meewerkte aan de ontbinding. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en stelt vast dat het opgeven van het verzet en de schikking niet als verwijtbaar werkloos worden kan worden aangemerkt.
De Raad benadrukt dat de kantonrechter geen dringende reden voor ontslag op staande voet zag, maar ook geen basis voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst. De werknemer heeft met het opgeven van het verzet bereikt dat de werkloosheid later intreedt dan bij ontslag op staande voet. Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.