ECLI:NL:CRVB:2003:AF8898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijzondere bijstand wegens ontbreken dringende redenen
Appellant ontving vanaf januari 1998 een bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet (Abw). Na een onderzoek naar het aantal personen op zijn adres werd de toeslag op zijn uitkering verhoogd. Later werd huursubsidie met terugwerkende kracht beëindigd en teruggevorderd vanwege onjuiste opgave van het aantal bewoners.
Appellant verzocht meerdere malen om bijzondere bijstand voor (huur)schulden, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 15 Abw Pro. De gemeente stelde dat er geen sprake was van dringende redenen en dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld beschikte over voldoende middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat geen afwijzing van een saneringskrediet was overgelegd en dat het bestaan van een grote schuldenlast niet als zeer dringende reden kan gelden. Ook de verblijfsstatus van appellant bood geen grond voor bijzondere bijstand. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van dringende redenen.