ECLI:NL:CRVB:2003:AF9323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij sanctie Werkloosheidswet leidt tot matiging sanctie
In deze zaak staat de beoordeling centraal van een sanctie opgelegd op grond van de Werkloosheidswet (WW) wegens verwijtbare werkloosheid van gedaagde. Gedaagde werd na een ontslag op staande voet geweigerd van een WW-uitkering. Na bezwaar en eerdere procedures legde appellant een sanctie van 30% korting gedurende 42 weken op. De rechtbank oordeelde dat appellant te lang had gewacht met het nemen van een nieuw besluit, wat een overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro opleverde, en matigde de sanctie.
Appellant betwistte de overschrijding en stelde dat de bevoegdheid tot sanctieoplegging niet vervalt door een termijnoverschrijding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een onredelijke vertraging van bijna twee jaar in de besluitvorming, die niet kan worden gerechtvaardigd. De Raad benadrukt dat gedaagde geen verwijt treft en dat de zaak niet complex was.
De Raad oordeelt dat de overschrijding gevolgen moet hebben voor de sanctie, maar dat het opleggen van een sanctie niet geheel hoeft te vervallen. De sanctie wordt daarom gematigd tot 30% korting gedurende 21 weken, de naastliggende sanctie volgens het destijds geldende beleid. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De sanctie wordt gematigd tot 30% korting gedurende 21 weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.