ECLI:NL:CRVB:2003:AF9332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herleving recht op nabestaandenuitkering na beëindiging gezamenlijke huishouding binnen zes maanden
Gedaagde ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) na het overlijden van haar eerste echtgenoot. Deze uitkering eindigde toen zij in het huwelijk trad. Kort daarna overleed haar tweede echtgenoot, waarna zij een nieuwe nabestaandenuitkering aanvroeg. Gedaagde stelde dat op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw het eerdere recht op nabestaandenuitkering moest herleven omdat de gezamenlijke huishouding binnen zes maanden was geëindigd.
De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het besluit van de Sociale verzekeringsbank vernietigd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat artikel 16, derde lid, van de Anw alleen ziet op situaties waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding voert zonder huwelijk en dat het recht op nabestaandenuitkering niet herleeft na beëindiging van een huwelijk binnen zes maanden.
De Raad baseert dit op de wetsgeschiedenis en het onderscheid dat de wet maakt tussen huwelijk en andere vormen van gezamenlijke huishouding. Het huwelijk wordt gezien als een bewuste keuze met kennis van de gevolgen voor de uitkering. De Raad concludeert dat het onderscheid niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en verklaart het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank gegrond, waarmee het eerdere vonnis wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt afgewezen en het besluit van de Sociale verzekeringsbank bevestigd.