[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 oktober 2001, nr. AWB 00/11653 MPWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 maart 2003. Aldaar is appellant in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
In dit geding is de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet) aan de orde. Deze wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge het toepasselijke overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.
Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de rubriek "Ontstaan en loop van het geding" van de aangevallen uitspraak, met het volgende.
Aan appellant, gewezen beroepsmilitair, is met ingang van 1 april 1974 een militair pensioen toegekend ingevolge artikel E1, van de Wet. In verband met inkomsten die hij uit of in verband met arbeid naast zijn militair pensioen geniet, heeft gedaagde ingevolge artikel V4a, vijfde lid, van de Wet, juncto de overgangsbepaling van artikel IX, onderdeel U, van de Wet van 7 mei 1986 (Stb. 303) een voor appellant geldend grensbedrag vastgesteld.
Bij besluit van 20 januari 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij blijkens de door hem ingezonden inkomstenopgave over het jaar 1998 bruto f 6.103,47 teveel aan pensioen krachtens de Wet heeft genoten en dat dit bedrag van hem wordt terug-gevorderd. Bij besluit van 27 juni 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij blijkens de door hem ingezonden inkomstenopgave over het jaar 1999 bruto f 4.886,52 teveel aan pensioen krachtens de Wet heeft ontvangen en dat dit bedrag met hem wordt verrekend.
Nadat appellant tegen beide besluiten bezwaar heeft gemaakt, heeft gedaagde bij besluiten van 29 september 2000 beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.
Na daartegen ingesteld beroep heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat is gebleken dat gedaagde bij de vaststelling van het jaarinkomen is uitgegaan van bruto bedragen, waarvan de door appellant ontvangen bruto reiskostenvergoedingen deel uitmaken, en dat ook de fiscus deze vergoedingen als een inkomensbestanddeel beschouwt. Dat de bruto reiskostenvergoeding en vanaf 1998 bij de vaststelling van het inkomen van appellant worden betrokken berust naar het oordeel van de rechtbank niet op een beleidswijziging van gedaagde, maar op een verscherping van de controle. De bruto tegemoetkoming in de reiskosten is door de rechtbank aangemerkt als inkomsten uit of in verband met arbeid, die op het militair pensioen van appellant mogen worden gekort. De rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 29 september 2000 ongegrond verklaard.
In hoger beroep betwist appellant het oordeel van de rechtbank. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de belaste reiskosten niet als inkomsten uit of in verband met arbeid kunnen worden aangemerkt en dat bij de tussentijdse controles die gedaagde liet uitvoeren ook geen rekening werd gehouden met de belaste reiskosten. Voorts is hij van oordeel dat de reiskostenvergoeding alleen wordt betaald als er werkelijke kosten worden gemaakt en er dus geen sprake is van inkomsten uit arbeid maar van een (gedeeltelijk belaste) vergoeding voor te maken onkosten.
De Raad overweegt het volgende.
Evenals in eerste aanleg is tussen partijen in geschil of de door appellant ontvangen bruto reiskosten als inkomsten uit of in verband met arbeid kunnen worden aangemerkt, die door gedaagde met het aan appellant op grond van de Wet toekomende pensioen moeten worden verrekend.
De Raad kan zich met het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank verenigen en voegt daaraan nog het volgende toe.
Gedaagde heeft bij zijn besluitvorming toepassing gegeven aan artikel V4a, vijfde lid, van de Wet, waarin wordt bepaald dat, indien de gepensioneerde militair inkomsten geniet uit of in verband met arbeid en de som van het pensioen en de inkomsten omgerekend op jaarbasis de grondslag waarnaar het pensioen is berekend overschrijdt, het bedrag van die overschrijding voor zoveel mogelijk op het pensioen in mindering wordt gebracht.
Evenals de eerste rechter is de Raad van oordeel dat de door appellant ontvangen bruto reiskostenvergoeding, welke door zijn werkgever aan hem is uitbetaald, dient te worden aangemerkt als inkomsten uit of in verband met arbeid in de zin van de Wet nu de uitbetaling daarvan onmiskenbaar en onlosmakelijk is gekoppeld aan het verrichten van arbeid. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 31 maart 1994, nr. AMP 1993/13, gepubliceerd in TAR 1994/141), gaat gedaagde voor de vaststelling van inkomsten uit of in verband met arbeid, in de zin van artikel V4a, vijfde lid, van de Wet door het ontbreken van een in de Wet nader gegeven omschrijving van bedoelde inkomsten, terecht uit van bruto-inkomsten uit of in verband met arbeid. Mitsdien heeft gedaagde de ontvangen bruto reiskostenvergoeding terecht als inkomsten uit of in verband met arbeid beschouwd en deze vergoeding als bruto-inkomsten op het door appellant ontvangen pensioen krachtens de Wet, met inachtneming van het vastgestelde grensbedrag, in mindering gebracht.
Wat betreft de grief van appellant dat bij tussentijds gehouden controles geen rekening werd gehouden met de belaste reiskosten, overweegt de Raad dat gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat ter zake door van de zijde van gedaagde controles hebben plaatsgevonden waarvan appellant de gerechtvaardigde verwachting had kunnen ontlenen dat de ontvangen bruto reiskostenvergoeding niet voor verrekening in aanmerking zou komen.
Ook in de omstandigheid dat op het inlichtingenformulier inkomstenopgave niet uitdrukkelijk naar de ontvangen reiskosten wordt gevraagd, ziet de Raad, gelet op de duidelijke niet limitatieve opsomming van de inkomstenposten, geen grond gelegen om tot een andersluidend oordeel te komen.
In hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin redenen die kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2003.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.