ECLI:NL:CRVB:2003:AH8578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering op grond van artikel 38 WAO
Appellante, geboren in 1975 en werkzaam als administratief medewerkster, heeft een WAO-uitkering ontvangen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Na een eerstejaars herbeoordeling in 1999 bleef deze mate ongewijzigd vastgesteld. Appellante meldde zich in oktober 1999 toegenomen arbeidsongeschikt, waarna zij een verzoek tot verhoging van haar uitkering indiende. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), weigerde deze verhoging bij besluit van november 1999 en verklaarde het bezwaar ongegrond in april 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat bij de beoordeling van artikel 38 WAO Pro zowel de medische als de arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheid meegewogen moeten worden. De medische rapportage van november 1999 bevestigde het belastbaarheidspatroon van augustus 1998, en de door appellante ingeschakelde reumatoloog onderschreef dit beeld. Hoewel geen nieuwe arbeidskundige toetsing was verricht op de datum van het bestreden besluit, was het tijdsverloop tussen de laatste arbeidskundige rapportage en de datum van het besluit gering en waren de relevante functies nog actueel.
De Raad zag daarom geen aanleiding om de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist te achten. Er waren geen arbeidskundige gebreken die tot een ander oordeel zouden leiden. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering van appellante.