ECLI:NL:CRVB:2003:AH9555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.H. van Kreveld
- P.G.M. Zwartkruis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit over beëindiging bijverdienmogelijkheid en geen recht op schadevergoeding
Appellant, voormalig werknemer van een universiteit, ontving een ontslaguitkering met een gegarandeerde hoogte en duur. Na invoering van het BWOO per 1 maart 1994 werd de mogelijkheid om bij te verdienen zonder korting op de uitkering beëindigd met ingang van 1 januari 1996. Appellant nam in het kader van het generaal pardon met terugwerkende kracht ontslag per 1 januari 1996 om recht te houden op 70% van zijn laatstgenoten bezoldiging.
Appellant stelde dat hij gedwongen was ontslag te nemen en dat het onrechtmatige kortingsbesluit hem schade had toegebracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade te ver verwijderd was. De Raad oordeelde dat appellant te laat in hoger beroep zou zijn, maar stelde vast dat de beroepstermijn pas begon bij de aangetekende verzending van de uitspraak, waardoor het hoger beroep ontvankelijk is.
De Raad erkende dat het kortingsbesluit onrechtmatig was, maar oordeelde dat de schade die appellant stelt te hebben geleden niet toerekenbaar is aan het besluit. Appellant had een bewuste keuze gemaakt voor zekerheid via het generaal pardon, en de gevolgen van die keuze zijn niet voor vergoeding vatbaar. Ook het beroep op misleidende informatie over het generaal pardon faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij eerder had moeten ontslag nemen dan de onderhandelingen toelieten.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees een schadevergoeding af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd zonder toekenning van schadevergoeding.