ECLI:NL:CRVB:2003:AH9609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens onvoldoende feitenonderzoek beschikbaarheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om zijn WW-uitkering in te trekken op grond van vermeende niet-beschikbaarheid voor arbeid. Het primaire besluit was gebaseerd op de aanname dat appellant op grond van de Vreemdelingenwet kon worden uitgezet, maar in bezwaar werd dit gewijzigd naar niet-beschikbaarheid volgens artikel 16 van Pro de WW.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij beschikbaar was voor arbeid, mede omdat hij geen sollicitaties had verricht op de reguliere arbeidsmarkt. Appellant had echter verklaard wel via de informele arbeidsmarkt te hebben gesolliciteerd.
De Raad stelt vast dat het Uwv onvoldoende feiten en omstandigheden heeft verzameld voorafgaand aan het besluit en dat het ontbreken van werkbriefjes niet ten nadele van appellant mag gelden. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gelast een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze overwegingen. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het Uwv dient een nieuw besluit te nemen.