ECLI:NL:CRVB:2003:AI0426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling werkgeverstatus en adressering bij boetenota's in socialezekerheidsrecht
In deze zaak stond centraal of appellante, een vennootschap onder firma, als werkgever moest worden aangemerkt voor de jaren 1994 en 1995 en of foutieve adressering van boetenota's aanleiding kon geven tot vermindering of verval van deze boetenota's.
Appellante voerde aan dat de activiteiten per 8 februari 1995 waren overgeheveld naar een besloten vennootschap en dat deze laatste als werkgever had moeten worden aangemerkt. Tevens stelde zij dat de boetenota's onrechtmatig waren vanwege foutieve adressering en onjuiste mededeling van de boetengronden.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 3 CSV Pro en gerelateerde wetsartikelen de vennootschap onder firma als werkgever werd aangemerkt, mede omdat de activiteiten van de besloten vennootschap met terugwerkende kracht waren gestaakt en de lusten en lasten waren overgenomen. De Raad verwierp het beroep op foutieve adressering omdat de nota's tijdig en niet retour waren ontvangen. Ook de klacht over niet-tijdige en onjuiste mededeling van boetengronden faalde omdat de kennisgeving en het boetebesluit wel gelijktijdig zijn ontvangen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden vonnis en zag geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het beroep op overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante als werkgever wordt aangemerkt en dat de boetenota's terecht zijn opgelegd ondanks de adresseringsklachten.