Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AI0628

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/6580 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbBesluit sollicitatieplicht werknemers WWMaatregelenbesluit Tica
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum maatregel wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen volgens Werkloosheidswet

In deze zaak staat centraal of de ingangsdatum van een maatregel opgelegd aan gedaagde wegens het niet verrichten van sollicitatieactiviteiten correct is vastgesteld. Gedaagde ontving een WW-uitkering en werd een maatregel van 20% gedurende 16 weken opgelegd omdat hij in de beoordelingsperiode van 1 tot en met 28 juni 1998 geen sollicitatieactiviteiten had verricht.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat de maatregel pas per 29 juni 1998 mocht ingaan, omdat gedaagde de periode van 1 tot 28 juni 1998 had kunnen benutten om alsnog te solliciteren. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en stelt dat de maatregel terecht per 1 juni 1998 is ingegaan.

De Raad baseert dit op het feit dat gedaagde vanaf het begin van de beoordelingsperiode zijn verplichting om passende arbeid te zoeken heeft geschonden. Daarbij is meegewogen dat er voldoende vacatures waren die passend waren bij zijn opleiding en arbeidsverleden, waardoor hij bij een actieve houding werk had kunnen vinden.

Hierdoor voldoet de vaststelling van de ingangsdatum aan de causaliteitseis volgens vaste jurisprudentie. Het beroep van gedaagde wordt daarom alsnog ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitkomst: De ingangsdatum van de maatregel is terecht vastgesteld op 1 juni 1998; het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

00/6580 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zwolle op 14 november 2000 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep van gedaagde tegen het door appellant op bezwaar gegeven besluit van 2 oktober 1998 (het bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond is verklaard, dat besluit deels is vernietigd, een beslissing van de rechtbank in de plaats is gesteld van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit en voorts beslissingen zijn gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht ten laste van appellant.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 mei 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Gedaagde is, nadat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering was ingetrokken, per 30 maart 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WW. Omdat gedaagde op het door hem ingediende werkbriefje over de periode van 1 juni 1998 tot en met 28 juni 1998 geen sollicitatie-activiteiten had vermeld, is hij volgens appellant de in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW neergelegde verplichting om één concrete en verifieerbare sollicitatie-activiteit per week te verrichten niet nagekomen, waardoor hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Appellant heeft daarom op basis van het Maatregelenbesluit Tica ingaande
1 juni 1998 een maatregel opgelegd van 20% gedurende 16 weken, welke na bezwaar bij het bestreden besluit is gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en dat de zwaarte van de opgelegde maatregel in overeenstemming is met de toepasselijke voorschriften. De rechtbank heeft evenwel het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarbij de ingangsdatum van de maatregel is gesteld op 1 juni 1998. De rechtbank heeft voorts op dat punt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de ingangsdatum van de maatregel bepaald op 29 juni 1998. De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat artikel 12 van Pro het Maatregelenbesluit Tica bepaalt dat de op te leggen maatregel ingaat op de eerste dag van de overtreding. Nu gedaagde de door appellant gehanteerde beoordelingsperiode, lopend van 1 juni tot en met 28 juni 1998, had kunnen benutten om aan voormelde verplichting te voldoen, mocht naar het oordeel van de rechtbank de maatregel pas per 29 juni 1998 worden opgelegd.
Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust, maar appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de in het bestreden besluit gebezigde ingangsdatum van de maatregel en de dienaangaande in de aangevallen uitspraak genomen beslissingen.
Appellant heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat ten tijde voor dit geding van belang weliswaar in beginsel van geval tot geval moet worden beoordeeld wat de eerste dag van de overtreding is, maar dat als die eerste dag niet is vast te stellen, de maatregel moet worden opgelegd met ingang van de eerste dag van de beoordelingsperiode. Bovendien heeft gedaagde, aldus appellant, gedurende de gehele periode, en derhalve reeds op de eerste dag daarvan, de gestelde norm van één sollicitatie per week overtreden.
Gelet op het voorgaande stelt de Raad allereerst vast dat slechts te zijner beoordeling staat het oordeel van de rechtbank omtrent de in het bestreden besluit gehanteerde ingangsdatum van de opgelegde maatregel.
Zoals de Raad onder meer in zijn uitspraak van 6 november 2002 (USZ 2003/47)heeft overwogen dient aan de hand van alle van belang zijnde omstandigheden te worden beoordeeld of het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is overtreden en op welke datum zulks heeft plaatsgevonden, welke beoordelingsmaatstaf door de in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW opgenomen concretisering niet anders wordt. Daarvan uitgaande deelt de Raad niet de conclusie die de rechtbank in het onderhavige geval heeft verbonden aan artikel 12 van Pro het Maatregelenbesluit Tica, maar stemt hij - daargelaten wat er zij van de in hoger beroep door appellant uiteengezette redenering - in met de conclusie van appellant dat gedaagde al bij aanvang van de beoordelingsperiode, namelijk op 1 juni 1998, zijn wettelijke verplichting om te trachten passende arbeid te verkrijgen heeft geschonden. Daartoe heeft de Raad in het bijzonder doen wegen dat het, mede gelet op de door appellant ingebrachte arbeidsmarktgegevens, aannemelijk is dat zich ook op die datum een zodanig aantal vacatures voordeed dat bij een voldoende actieve opstelling van gedaagde de kans niet louter denkbeeldig was dat hij, bijvoorbeeld in - gelet op zijn opleiding en arbeidsverleden passend te achten - ongeschoold uitzendwerk, aanstonds werk had kunnen vinden en dusdoende zijn werkloosheid had kunnen opheffen. Aldus is ten aanzien van de in het bestreden besluit gehanteerde ingangsdatum van de maatregel, 1 juni 1998, voldaan aan de blijkens vaste jurisprudentie voor de toepassing van voormeld voorschrift van de WW geldende causaliteitseis. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de vaststelling van de ingangsdatum van de aan gedaagde opgelegde maatregel niet onjuist is.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat de ingangsdatum van de opgelegde maatregel betreft alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) I.D. Veldman.