ECLI:NL:CRVB:2003:AI0654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zelfstandigheid en verzekeringsplicht in arbeidsrelatie bij plaatsing tuinhuisjes
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een onderneming over de vraag of betrokkenen, die tuinhuisjes en schuttingen plaatsen, als zelfstandige ondernemers of als werknemers moeten worden aangemerkt voor sociale verzekeringsdoeleinden.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat betrokkenen zelfstandigen zijn, mede omdat zij zelfstandig en voor eigen risico werken, ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel, eigen investeringen hebben gedaan en verzekeringen hebben afgesloten. Het Uwv stelde in hoger beroep dat er toch sprake was van een dienstbetrekking, onder meer vanwege het overgrote deel van de omzet dat betrokkenen bij gedaagde behaalden en het feit dat de naam van gedaagde op de bedrijfsauto's stond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd waarom er ondanks het ontbreken van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting toch sprake zou zijn van een dienstbetrekking. De Raad bevestigt dat de betrokkenen hun werkzaamheden zelfstandig verrichten en dat de aanwijzing op de bedrijfsauto's niet doorslaggevend is. Het hoger beroep wordt verworpen en het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkenen zelfstandige ondernemers zijn en wijst het hoger beroep van het Uwv af.