ECLI:NL:CRVB:2003:AI0659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Fictieve opzegtermijn en beëindiging arbeidsovereenkomst door ontbinding
In deze zaak gaat het om de vraag of de arbeidsovereenkomst van gedaagde is beëindigd door opzegging of door ontbinding. Gedaagde was in dienst bij [naam werkgever] en heeft op 1 november 1996 zijn dienstverband aangevangen. De werkgever heeft op 27 april 1999 de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, wat op 10 mei 1999 is toegewezen. Partijen waren het eens over een ontbinding per 1 juni 1999, wat overeenkwam met de wettelijke opzegtermijn van een maand. Gedaagde ontving een vergoeding van twee bruto maandsalarissen bij de ontbinding.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging is geëindigd, maar door ontbinding door de kantonrechter. Dit is van belang voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW), dat betrekking heeft op de fictieve opzegtermijn. De Raad oordeelt dat de fictieve opzegtermijn aanvangt de dag na de beschikking tot ontbinding, en dat de appellant de lengte van deze termijn correct heeft vastgesteld. De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd, maar de Raad komt tot de conclusie dat het bestreden besluit op een juiste grondslag berust.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond. Dit betekent dat gedaagde geen recht heeft op een WW-uitkering voor de periode tot 1 juli 1999, omdat de fictieve opzegtermijn tot die datum geldt. De uitspraak benadrukt het belang van de juiste toepassing van de wetgeving omtrent de beëindiging van arbeidsovereenkomsten en de gevolgen voor de WW-uitkering.