ECLI:NL:CRVB:2003:AI1307

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4096 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 39 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorziening vervoer voor sociale contacten wegens ontbreken medewerking aan rapportage

Eiser, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, vroeg om een voorziening voor vervoer om sociale contacten te onderhouden. Deze aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat eiser niet meewerkte aan het opstellen van een sociale rapportage en het verkrijgen van medische gegevens, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Eiser heeft in het beroep geen nadere gronden gegeven voor zijn weigering tot medewerking, maar volstond met de stelling dat hij niet wenste mee te werken. De Raad oordeelt dat verweerster in redelijkheid het verzoek kon afwijzen vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht zoals voorgeschreven in artikel 39 van Pro de Wet.

Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard. Daarnaast acht de Raad geen grond aanwezig voor het toekennen van een vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing is genomen door de Centrale Raad van Beroep op 17 juli 2003.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht en de aanvraag voor de voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

02/4096 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (USA), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 28 juni 2002, kenmerk JZ/R60/2002/464, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Nadien heeft eiser door middel van een aantal brieven (met bijlagen) nog nadere reacties ingediend en stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juni 2003. Aldaar is eiser, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren 19 maart 1924, erkend als vervolgde in de zin van de Wet en zijn hem enkele bijzondere voorzieningen toegekend. In het verleden is aanvaard dat zijn nerveuze klachten, scherfverwondingen en hoofdpijnklachten in het vereiste verband staan met de vervolging die hij heeft ondergaan.
In oktober 2001 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om - voor zover hier van belang - toekenning van een voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.
Bij besluit van 10 april 2002 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op grond van de overweging dat eiser geen medewerking verleent aan de voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke sociale en medische rapportage, waardoor niet kan worden vastgesteld of de gevraagde voorziening medisch noodzakelijk danwel medisch-sociaal wenselijk is. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Op grond van artikel 20 van Pro de Wet wordt door verweerster een vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten toegekend, indien normaliter niet van het openbaar vervoer gebruik kan worden gemaakt. Op grond van artikel 21 van Pro de Wet kan voor deze voorziening een tegemoetkoming worden verleend bij verlies aan sociale contacten door causale ziekten en/of gebreken, eenzaamheid, dreigende totale vereenzaming of behoefte aan het onderhouden van contacten van sociale of familiaire aard in binnen- en buitenland.
Teneinde te kunnen vaststellen of een medische noodzaak danwel medisch- sociale wenselijkheid voor het toekennen van deze voorziening aanwezig is, dient verweerster te kunnen beschikken over van belang zijnde recente sociale en medische gegevens over de aanvrager. Vaststaat dat eiser bij de behandeling van zijn aanvraag, noch in het kader van de bezwaarschriftprocedure ter zake medewerking aan het opstellen van een sociale rapportage en het verkrijgen van medische gegevens heeft verleend, terwijl ook anders-zins door hem geen nadere voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijnde inlichtingen zijn verstrekt.
Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet is - voor zover hier van belang - de aanvrager verplicht aan verweerster de inlichtingen te verstrekken die voor het vaststellen of het bestendigen van het recht op een vergoeding of tegemoetkoming noodzakelijk zijn. Ingevolge het tweede lid kan verweerster de aanvraag afwijzen indien de aanvrager niet aan de inlichtingenplicht voldoet.
De Raad stelt met verweerster vast dat eiser niet aan de inlichtingenplicht, als hiervoor vermeld, heeft voldaan. Voor zijn weigering om medewerking te verlenen aan het opstellen van een sociale rapportage en het verkrijgen van medische gegevens heeft eiser in beroep geen nadere gronden aangevoerd. Hij heeft in zoverre volstaan met de stelling dat hij geen medewerking verleent. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in de gegeven omstandigheden in redelijkheid kunnen weigeren eiser in aanmerking te brengen voor vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de kosten van het onderhouden van sociale contacten.
Hetgeen eiser overigens in zijn beroepschrift en aanvullingen daarop heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op het bestreden besluit en kan de Raad reeds daarom niet tot een ander oordeel over dat besluit leiden.
Gezien het vorenstaande dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2003.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
19.06