ECLI:NL:CRVB:2003:AI5639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihil voorschot uitkering Werkloosheidswet na ontslag op staande voet
Appellant werd op 5 juli 1999 op staande voet ontslagen wegens werkweigering en betwistte de hoogte van het voorschot op zijn WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde het voorschot op nihil vanwege vermoedelijke verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep.
De Raad overwoog dat het Uwv zorgvuldig onderzoek had gedaan door zowel appellant als zijn werkgever te horen. Op grond van de beschikbare gegevens was het aannemelijk dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, waardoor het voorschot terecht op nihil werd gesteld. Het latere vonnis van de kantonrechter dat het ontslag nietig was, deed hieraan niet af omdat het geschil ging om het voorschot, niet om het recht op uitkering.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het Uwv binnen haar bevoegdheid en zorgvuldigheid het voorschot op nihil mocht vaststellen, conform artikel 31 van Pro de Werkloosheidswet. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het voorschot op de WW-uitkering is terecht op nihil vastgesteld vanwege verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.