Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
II. MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering en later een uitkering op grond van de UKR. Hij startte een eenmanszaak en gaf een schatting van zijn winst door, waarop voorlopige verrekening van de uitkering plaatsvond. Later bleek de werkelijke winst hoger, waarop gedaagde een terugvordering instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat het enkele feit dat later beschikbare gegevens afwijken van een schatting niet automatisch eigen toedoen van appellant betekent. Omdat de voorlopige uitkering niet definitief was, mocht appellant niet vertrouwen op het uitgekeerde bedrag.
De Raad bepaalt dat de terugvordering over 1995 niet meer mogelijk was omdat de gegevens over dat jaar al op 28 juni 1996 waren ingediend en de terugvorderingstermijn van twee jaar was verstreken bij het besluit van 19 mei 1999. Voor 1996 was de terugvordering wel toegestaan. Tevens werd de terugvordering onzorgvuldig voorbereid omdat de samenloop van WW- en UKR-uitkering onvoldoende was meegewogen.
De uitspraak en het besluit worden vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de motivering.