ECLI:NL:CRVB:2003:AL6964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens breuk in huishouden bij gezinshereniging vluchteling
Appellant, een Afghaanse vluchteling, vroeg kinderbijslag aan voor zijn zeven kinderen over de periode vanaf het derde kwartaal 1997. De Sociale verzekeringsbank (SVB) weigerde de kinderbijslag over het derde kwartaal 1997 tot en met het tweede kwartaal 1998 omdat appellant niet had aangetoond dat zijn kinderen tot zijn huishouden behoorden en hij niet voldeed aan de onderhoudseis.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat appellant niet binnen twee maanden na aankomst in Nederland reële stappen tot gezinshereniging had ondernomen, waardoor een voorlopige breuk in het huishouden bestond. Appellant was pas op 19 juni 1997 een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn gezin aangevraagd, die op 18 november 1997 werd verleend. Het gezin arriveerde uiteindelijk in juni 1998 in Nederland.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de breuk in het huishouden met het gezin is hersteld vanaf het moment dat het bevoegde gezag op 18 november 1997 positief besliste op de aanvraag tot gezinshereniging. Daarmee heeft appellant vanaf het eerste kwartaal 1998 recht op kinderbijslag zonder dat een onderhoudsbijdrage vereist is. De weigering van kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal 1998 kan daarom niet in stand blijven en wordt vernietigd. Voor de overige kwartalen blijft de weigering gehandhaafd.
De Raad veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten en bepaalt dat deze het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. De kwestie van eventuele renteschade wordt niet behandeld omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen.
Uitkomst: De weigering van kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal 1998 wordt vernietigd en de SVB dient een nieuw besluit te nemen.