ECLI:NL:CRVB:2003:AL6984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Onterecht geweigerde kinderbijslag wegens gezinsbreuk bij vluchteling
De zaak betreft een vluchteling die kinderbijslag voor zijn in Irak achtergebleven tien kinderen had aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank weigerde deze op grond van een vermeende breuk in het huishouden, omdat de kinderen niet tot het gezin zouden behoren. De rechtbank vernietigde deze weigering en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
In hoger beroep stond centraal of de kinderen op de relevante peildatum tot het huishouden van de vluchteling behoorden. De Raad overwoog dat bij vluchtelingen die hun gezin achterlaten en niet spoedig reële stappen tot gezinshereniging nemen, een blijvende breuk in het huishouden wordt aangenomen. Echter, indien binnen redelijke termijn reële stappen worden ondernomen, geldt die fictie niet.
De Raad constateerde dat de vluchteling binnen korte tijd na aankomst in Nederland een asielaanvraag deed en vervolgens een aanvraag voor gezinshereniging indiende, met voorbereidingen voorafgaand aan de aanvraag. Hierdoor was sprake van een uitzonderingssituatie waarin de breuk in het huishouden niet werd aangenomen.
De Centrale Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de weigering van kinderbijslag onterecht was en veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot betaling van proceskosten aan de vluchteling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de weigering van kinderbijslag onterecht was en veroordeelt de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten.