Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AL7471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5328 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 8:54 AwbArt. 7:11 AwbArtikel 12.7 lid 3 CAO Nederlandse Universiteiten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen wijziging ontslagdatum onterecht

Appellant werd eervol ontslagen met ingang van 1 januari 2000. Na bezwaar stelde het College van bestuur de ontslagdatum uit tot 1 april 2000. Appellant stelde beroep in tegen zowel de beslissing op bezwaar als de latere datumwijziging. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het beroep tegen de datumwijziging niet-ontvankelijk omdat dit besluit volgens de rechtbank slechts een zelfstandig rechtsgevolg had en het beroep zich op het ontslag ten gronde richtte.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank onterecht het beroep tegen het besluit van 17 maart 2000 niet-ontvankelijk verklaarde. Het besluit van 22 december 1999, waarin de ontslagdatum werd gewijzigd, was niet bestreden en geldt als gegeven. Het besluit van 9 maart 2000 handhaafde het ontslag, maar gaf geen nieuwe ingangsdatum, waardoor de besluitvorming niet was afgerond. Pas met het besluit van 17 maart 2000 werd de nieuwe ontslagdatum vastgesteld.

De Raad concludeert dat het beroep tegen het besluit van 17 maart 2000 ontvankelijk had moeten worden verklaard en inhoudelijk behandeld. De zaak wordt daarom terugverwezen naar de rechtbank. Tevens veroordeelt de Raad het College van bestuur in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 17 maart 2000 is ontvankelijk verklaard en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

01/5328 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van bestuur van de [naam universiteit], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank [arrondissement] van 24 augustus 2001, nr. AW 00/895-BOS, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 augustus 2003, waar namens appellant is verschenen mr. A.G. Castermans, advocaat te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht.
II. MOTIVERING
1.1. Bij besluit van 28 september 1999 heeft gedaagde met toepassing van artikel 12.8 van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO) aan appellant met ingang van 1 januari 2000 eervol ontslag op andere gronden verleend. Nadat hiertegen bezwaar is gemaakt, heeft gedaagde bij brief van 22 december 1999, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 12.7, derde lid, van de CAO, medegedeeld dat het ontslag niet eerder zal ingaan dan een week nadat de beslissing op bezwaar is genomen.
1.2. Vervolgens heeft gedaagde bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2000 de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. In aanvulling hierop heeft gedaagde bij besluit van 17 maart 2000 met verwijzing naar het besluit van 22 december 1999 bepaald dat het aan appellant verleende ontslag zal ingaan op 1 april 2000.
1.3. Bij beroepschrift van 20 april 2000, bij de rechtbank ingekomen op 25 april 2000, heeft appellant zowel tegen de beslissing op bezwaar van 9 maart 2000 als tegen de aanvulling hierop van 17 maart 2000 beroep ingesteld.
1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 9 maart 2000 bij uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gedateerd 14 juni 2000, niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het tegen die uitspraak gedane verzet is op 24 januari 2001 door de rechtbank ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ook het beroep tegen het besluit van
17 maart 2000 niet-ontvankelijk verklaard.
3. De Raad stelt vast dat de rechtbank het tegen het besluit van 17 maart 2000 ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft geacht omdat dit besluit naar haar oordeel uitsluitend een zelfstandig rechtsgevolg heeft voorzover het ziet op de nieuwe ontslagdatum en het beroep niet daartegen is gericht, maar louter betrekking heeft op het ontslag ten gronde.
4. Deze benadering kan de Raad niet volgen. Hij neemt hierbij allereerst in aanmerking dat het aan het primaire besluit verbonden rechtsgevolg, te weten het einde van het ambtelijk dienstverband van appellant, niet meer kon intreden aangezien inmiddels - hangende de bezwaarschriftprocedure - de in het primaire besluit genoemde ingangsdatum voor het ontslag, te weten 1 januari 2000, als gevolg van het besluit van 22 december 1999 was komen te vervallen. Laatstgenoemd besluit is door appellant niet bestreden - het was ook met het oog op zijn belangen genomen - en geldt derhalve in rechte als een gegeven. Dit maakt dat in bezwaar, bij een bevestigend antwoord op de vraag of het ontslag gehandhaafd moest worden, een nieuwe ingangsdatum aan het ontslag diende te worden verbonden.
5. Vervolgens stelt de Raad vast dat gedaagde zich bij de ongegrondverklaring van het bezwaar op 9 maart 2000 heeft beperkt tot de beslissing dat het aan appellant verleende ontslag in stand blijft. Aangezien gedaagde daarbij heeft nagelaten een (nieuwe) ingangsdatum te geven, was deze beslissing tot handhaving van het primaire besluit op zichzelf niet voldoende om het daarmee beoogde rechtsgevolg alsnog te doen intreden. Gedaagde had dan ook nog niet - zoals artikel 7:11 van Pro de Awb vereist - dat besluit in volle omvang heroverwogen. Van een voltooide besluitvorming in bezwaar was eerst sprake nadat gedaagde bij het besluit van 17 maart 2000 had beslist dat het ontslag op 1 april 2000 zou ingaan.
6. Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 17 maart 2000 ten onrechte op de onder 3. aangegeven grond niet-ontvankelijk heeft geacht. Nu ook niet anderszins is gebleken van feiten of omstandigheden die tot niet-ontvankelijkverklaring leiden, had de rechtbank het beroep moeten ontvangen en de grieven van appellant - ook voor zover gericht tegen de handhaving van het ontslag als zodanig - inhoudelijk moeten behandelen. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Raad zal, mede gelet op het ter zitting ingenomen standpunt van partijen, niet zelf op het inleidend beroep beslissen maar dit ter verdere behandeling naar de rechtbank terugwijzen.
7. De Raad acht tot slot termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 644,- voor rechtsbijstand. Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank terug;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de [naam universiteit];
Bepaalt dat de [naam universiteit] aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 154,29 (voorheen: f 340,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2003.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) L.N. Nijhuis.
HD
9.09
Q