ECLI:NL:CRVB:2003:AL7825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag
Appellant, een heftruckchauffeur uit Gambia, werd door zijn werkgever ontslagen wegens onvoldoende werkzaamheden. De werkgever verzocht de Regionaal Directeur om toestemming voor het ontslag, welke werd verleend, maar niet gebruikt. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat hij het ontslag niet had aangevochten.
De rechtbank had ambtshalve getoetst aan artikel 24, tweede lid, van de WW en oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door het niet aanvechten van het ontslag. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk verweer had gevoerd tegen het ontslag, maar de Raad oordeelde dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid was getreden door ambtshalve te toetsen aan een bepaling die niet van openbare orde is.
De Raad stelde vast dat de keuze voor de kwalificatie van gedragingen en toepassing van wettelijke bepalingen tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan behoort. De Raad bevestigde dat appellant voldoende was gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn gedrag en dat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid gehandhaafd.