ECLI:NL:CRVB:2003:AM0297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- A.B.J. van der Ham
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht bij fictieve dienstbetrekking in sociale verzekeringswetten
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een gedaagde over de verzekeringsplicht van personen die werkzaamheden verrichten via een zogenoemde fictieve dienstbetrekking. Na een looncontrole stelde het Uwv dat bepaalde personen die individuele begeleiding verrichtten onder deze fictieve dienstbetrekking vielen en dat over de vergoedingen premies verschuldigd waren.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat voor deze categorie personen geen sprake was van tussenkomst en dus geen verzekeringsplicht bestond. Het Uwv ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat de arbeidsverhouding wel als fictieve dienstbetrekking moet worden aangemerkt op grond van artikel 5 ZW Pro, WW en WAO juncto artikel 3 KB Pro.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de personen persoonlijk arbeid verrichten voor een derde via tussenkomst van de gedaagde, die de loonbetalingsverplichting draagt. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van het tussenkomstartikel en moet de arbeidsverhouding als fictieve dienstbetrekking worden gelijkgesteld. Het beroep van de gedaagde op zelfstandig ondernemerschap en het gelijkheidsbeginsel faalde omdat dit niet met controleerbare gegevens werd onderbouwd.
De Raad vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het de verzekeringsplicht betrof en verklaarde het beroep van de gedaagde ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er verzekeringsplicht bestaat voor personen in een fictieve dienstbetrekking en vernietigt het bestreden vonnis voor zover aangevochten.