ECLI:NL:CRVB:2003:AM2582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- T. Hoogenboom
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de toepassing van de bijverdienregeling op wachtgelduitkering van voormalig hoogleraar
Appellant, voormalig hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, ontving vanaf 1 juni 1989 wachtgeld na ontslag en was daarnaast deels werkzaam als toegevoegd hoofddocent. Zijn inkomsten uit psychologische onderzoeken werden als aangehouden inkomsten aangemerkt en niet op het wachtgeld in mindering gebracht. Met ingang van 1 maart 1994 werd het wachtgeldstelsel vervangen door een op de Werkloosheidswet afgestemd stelsel, waarbij de bijverdienmogelijkheid werd beëindigd. Vanaf 1 januari 1996 werd de anti-cumulatieregeling van het BWOO op appellant toegepast, wat leidde tot beëindiging van een deel van zijn wachtgeld vanwege zijn werkzaamheden.
In 1998 ging appellant werken voor een door hem opgerichte BV en verrichtte hij werkzaamheden voor de universiteit. Hij verzocht gedaagde om de anti-cumulatieregeling met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wat leidde tot een besluit op bezwaar in 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep was alleen nog in geschil of het bedrag aan vrij te laten inkomsten terecht was vastgesteld op 8/38e van het salaris van een hoogleraar A.
Appellant stelde dat hem een onbeperkte bijverdienmogelijkheid van 8 uur per week was toegezegd en dat het gehanteerde bedrag willekeurig was. Gedaagde stelde dat het bedrag hoger was vastgesteld dan het oorspronkelijke bedrag van f 700,63 per maand en dat aansluiting was gezocht bij de laatstelijk vervulde functie van appellant. De Raad oordeelde dat gedaagde terecht de bijverdienregeling van de Wgv bleef toepassen en dat de vrij te laten inkomsten correct waren vastgesteld. De aangehouden urenregeling was niet van toepassing op de werkzaamheden voor de BV, die na het ontslag waren gestart. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijverdienregeling van de Wgv correct is toegepast en het bedrag aan vrij te laten inkomsten terecht is vastgesteld.