ECLI:NL:CRVB:2003:AM5336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R. Kooper
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Ontslag uit gemeentedienst wegens verstrijken aanstellingsduur niet onrechtmatig
Appellante was sinds 1995 meerdere malen tijdelijk aangesteld bij de gemeente Amsterdam op basis van artikel 214 van Pro het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Haar aanstelling werd per 1 maart 2000 niet verlengd en zij kreeg ontslag met toepassing van artikel 1114 van Pro het ARA wegens het verstrijken van de aanstellingsduur. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het procesbelang is komen te vervallen door het alsnog genomen besluit. Wel veroordeelt de Raad de gemeente tot vergoeding van proceskosten wegens het onrechtmatig uitblijven van een tijdige beslissing.
Ten aanzien van het niet verlengen van de aanstelling stelt de Raad vast dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden van appellante na 1 maart 2000 zijn ondergebracht bij anderen en dat er geen verplichting bestond tot voortzetting van het dienstverband. Ook het beroep op de Wet flexibiliteit en zekerheid faalt omdat deze niet van toepassing is op ambtenaren die vóór 1 april 2000 in dienst traden.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep.
Uitkomst: Het ontslag wegens het verstrijken van de tijdelijke aanstellingsduur wordt bevestigd en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard met proceskostenveroordeling voor de gemeente.