AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek herziening status burger-oorlogsgetroffene op grond van WUBO
Eiseres, geboren in 1943 als kind uit een gemengd huwelijk, verzocht op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) om erkenning als burger-oorlogsgetroffene. Haar oorspronkelijke aanvraag werd in 1999 afgewezen omdat niet was gebleken van persoonlijke gerichte maatregelen van de Duitse bezetter jegens haar. Na een verzoek tot herziening in 2001, ondersteund met aanvullende documenten, handhaafde verweerster het besluit.
Eiseres stelde in beroep dat de omstandigheden waaronder zij en haar familie tijdens de oorlog leefden, aanleiding gaven tot herziening van het besluit. De Raad toetste of verweerster onredelijk had gehandeld of in strijd met rechtsregels had besloten. De Raad concludeerde dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het eerdere besluit konden wijzigen.
De Raad verwees naar soortgelijke uitspraken in gerelateerde zaken van familieleden van eiseres en oordeelde dat het bestreden besluit stand houdt. Tevens wees de Raad een verzoek om vergoeding van proceskosten af en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot afwijzing van haar verzoek tot herziening van haar status als burger-oorlogsgetroffene wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
02/931 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 28 december 2001, kenmerk JZ/O/2001/959, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen, heeft eiseres aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Bij schrijven van 26 juli 2002 en van 3 mei 2003 heeft eiseres haar beroep nader toegelicht en nadere stukken in geding gebracht.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen geregistreerd onder nrs. 03/84, 03/85 en 03/87 WUBO, behandeld ter zitting van de Raad op 21 augustus 2003. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde E.H. Rouwenhorst-Nijenhuis, wonende te Warnsveld, en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1943, is kind uit een gemengd huwelijk van een Joodse moeder en een niet-Joodse vader. Eiseres heeft in februari 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij gezondheidsklachten heeft die zij in verband ziet staan met haar ervaring als half-Joods kind tijdens de oorlog. Bij besluit van 9 november 1999, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2000, heeft verweerster de aanvraag van eiseres afgewezen omdat niet is gebleken van tegen eiseres persoonlijk gerichte handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter die onder de werking van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet kunnen worden gebracht. Hierbij is overwogen dat niet door objectieve gegevens wordt bevestigd dat eiseres tijdens de oorlog samen met haar moeder heeft moeten onderduiken, dan wel sterdraagplichtig is geweest. Eiseres heeft tegen laatstgenoemd besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
In augustus 2001 heeft eiseres bij verweerster een verzoek ingediend om herziening van dit besluit. Dit verzoek heeft eiseres vergezeld doen gaan van vele documenten waaruit in haar opvatting blijkt onder welke moeilijke omstandigheden zij en haar familie tijdens de oorlog hebben geleefd. In de door eiseres ingebrachte gegevens heeft verweerster geen aanleiding gezien haar eerdere besluit te herzien en bij besluit van 2 november 2001 is het verzoek van eiseres afgewezen. Een door eiseres tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd heeft de Raad te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dat brengt mee dat de Raad in dit geval heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.
De Raad moet vaststellen dat eiseres bij haar aanvraag, noch bij haar bezwaar tegen de beslissing op deze aanvraag feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren, dan wel een zodanig ander licht op de onderhavige kwestie werpen dat verweerster daarin thans aanleiding had moeten zien te aanvaarden dat eiseres is getroffen door handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van heden in de gedingen geregistreerd onder nr. 03/84, 03/85 en 03/87 WUBO ten name van twee broers en een zuster van eiseres.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit de bovenomschreven toetsing van de Raad kan doorstaan.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2003.