AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing inkomensgarantie sergeant-majoor op grond van essentiële functievereiste
Appellant, een militair bij de Koninklijke Landmacht, verzocht om een inkomensgarantie naar de rang van sergeant-majoor per 1 november 2000. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen en bij bezwaar gehandhaafd omdat appellant niet voldeed aan het vereiste van het vervullen van een essentiële functie, een voorwaarde onder het tot 1 januari 1990 geldende bevorderingsbeleid (BVBKL 1982).
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat gedaagde onvoldoende had onderzocht of de waarneming van appellant als hoofd bureau voorzieningen gelijkgesteld kon worden met een essentiële functie. De zaak kwam vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het vereiste van een essentiële functie, hoewel niet expliciet genoemd in het BVBKL 1982, in de praktijk wel werd gehanteerd en dat het overgangsbeleid verwijst naar het beleid tot 1 januari 1990. Appellant had niet voldaan aan de eis dat de functie gerelateerd moest zijn aan het wapen, dienstvak of categorie waartoe hij behoorde. Ook het latere bevorderingsbeleid, dat het vereiste van een essentiële functie niet meer kende, kon niet leiden tot een andere beoordeling.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 26 juni 2003 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om inkomensgarantie naar de rang van sergeant-majoor wordt bevestigd vanwege het niet vervullen van een essentiële functie.
Uitspraak
01/1743 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 januari 2001, nr. 00/8356 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is meegedeeld dat er geen aanleiding was een verweerschrift in te dienen. Nadien zijn namens gedaagde desgevraagd nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij de ACOM, CNV-bond van militairen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Habets en mr. S.A. Molemans, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was sedert 1 november 1988 wachtmeester der eerste klasse-instructeur bij de Koninklijke Landmacht. Nadat hij op 3 december 1999 voor de ACHOOV-KL was geslaagd, heeft hij verzocht hem met ingang van 1 november 2000 voor een inkomensgarantie naar de rang van sergeant-majoor in aanmerking te brengen. Dit verzoek is bij besluit van 11 februari 2000 afgewezen.
1.2. Na bezwaar is deze afwijzing bij het bestreden besluit van 14 juni 2000 gehandhaafd op grond van de overweging dat:
- (i) appellant per 1 november 2000 wel de maximale looptijd in zijn rang zou hebben volbracht, maar vóór dat tijdstip niet een zogeheten essentiële functie zou hebben vervuld,
- (ii) hem geen dispensatie met betrekking tot het vereiste van een essentiële functie was verleend, en
- (iii) niet gebleken was dat zijn werkzaamheden gelijkgesteld waren met een essentiële functie.
1.3. Per 1 juli 2001 is appellant tot opperwachtmeester bevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepalingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.
De rechtbank was van oordeel dat ten aanzien van appellant de eis kon worden gesteld dat hij een essentiële of daarmee redelijkerwijs op één lijn te stellen functie moest hebben vervuld. Maar, zo overwoog de rechtbank, gedaagde had moeten onderzoeken of appellants waarneming gedurende twee jaar van de functie van hoofd bureau voorzieningen van het garnizoen [naam garnizoen] - een functie op het niveau van sergeant-majoor - gelijkgesteld kon worden met het vervuld hebben van de vereiste essentiële functie. Nu gedaagde dit had nagelaten, berustte het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek en een ontoereikende motivering.
3. In hoger beroep wordt de aangevallen uitspraak aangevochten voorzover daarbij is overwogen dat het vervuld hebben van een essentiële functie als vereiste geldt.
3.1. De Raad overweegt dat gedaagde, die per 1 januari 1990 van het systeem van blokbevordering is overgegaan naar een systeem van individuele functietoewijzing, daarbij een overgangsregeling heeft getroffen die voorzover hier van belang inhoudt: "Na 1 januari 1995 wordt aan de militair beneden de rang van tweede luitenant, die bij ongewijzigd beleid - op grond van de thans gehanteerde looptijd in rang - na afloop van de overgangsperiode een reëel uitzicht zou hebben op bevordering tot de naasthogere rang …. een functie aangeboden … waaraan de naasthogere rang is verbonden. Indien de organisatie er niet in slaagt binnen de gehanteerde maximum looptijd in rang een dergelijke functie aan te bieden, wordt bij het bereiken van die maximum looptijd een inkomensgarantie geboden op het niveau van de naasthogere rang."
3.2. Het "ongewijzigd beleid" waarop in die overgangsregeling wordt gedoeld is voorzover hier van belang neergelegd in het tot 1 januari 1990 geldende Bevorderingsvoorschrift beroepskader landmacht 1982 (hierna: BVBKL 1982).
Volgens artikel 6, derde lid, aanhef en onder b en c, van het BVBKL 1982 is voor bevordering vereist dat de betrokken militair onder meer aan de volgende vereisten van bekwaamheid en geschiktheid voldoet. Hij dient:
b. in zijn rang op goede wijze tenminste één van de functies te hebben vervuld waarvan de minister te kennen heeft gegeven dat hij de vervulling daarvan van bijzonder belang acht voor het verkrijgen van de bekwaamheid en geschiktheid voor het vervullen van functies waaraan een hogere rang is verbonden;
c. lichamelijk en geestelijk geschikt te worden geacht voor het vervullen van de functies in zijn categorie in de rang, die hij bij bevordering zal verkrijgen.
4.1. Appellant voert aan dat het vereiste van een essentiële functie destijds als zodanig niet in het BVBKL 1982 was opgenomen, maar eerst bij het na 1 januari 1990 geldende loopbaanbeleid in VS 2-1588/1 is gesteld. Bovendien gold die eis van een essentiële functie niet meer volgens het vanaf maart 2000 geldende beleid.
4.1.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het vereiste van een essentiële functie in het BVBKL 1982 weliswaar niet met zoveel woorden werd gesteld, maar in de praktijk bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, werd gehanteerd. Nu de in 3.1. bedoelde overgangsregeling met de woorden "bij ongewijzigd beleid" naar het tot 1 januari 1990 geldende bevorderingsbeleid verwijst, is niet van betekenis dat het vereiste van een essentiële functie volgens het vanaf maart 2000 geldende bevorderingsbeleid niet meer geldt.
4.1.2. Van een essentiële functie is slechts sprake als de functie is gerelateerd aan het wapen/dienstvak/categorie waartoe de betrokken militair behoort. De door appellant laatstelijk vervulde functies hebben daaraan niet voldaan.
4.2. Appellant betoogt voorts dat hij, nu hij op grond van het thans geldende bevorderingsbeleid vanaf 1 maart 2000 bevorderingsgeschikt is geacht, ervan uitgegaan moet worden dat hij die functies heeft vervuld, waarvan de minister te kennen heeft gegeven dat bij de vervulling daarvan van bijzonder belang acht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van het BVBKL 1982 zodat appellant onder het vóór 1990 geldende regiem per 1 november 2000 in aanmerking zou zijn gekomen voor een blokbevordering.
4.2.1. De Raad kan appellant niet volgen. Het BVBKL 1982 stelt immers naast de eis dat de betrokken militair bevorderingsgeschikt is als bedoeld in onderdeel c van artikel 6, eerste lid, tevens de eis dat betrokkene een functie van een bijzonder belang als bedoeld in onderdeel b van dat artikellid heeft vervuld.
5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in hoger beroep en beslist daarom als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2003.