ECLI:NL:CRVB:2003:AN8947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2417 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken belanghebbende bij herzieningsverzoek na overlijden

Eiseres verzocht om herziening van een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad betreffende de aanspraken van haar overleden echtgenoot op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren aangevoerd en omdat postuum ingediende aanvragen volgens de wet niet-ontvankelijk zijn.

Na afwijzing van het bezwaar van eiseres tegen dit besluit, stelde zij beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kon worden aangemerkt. De Raad concludeerde dat eiseres geen belanghebbende was omdat het verzoek uitsluitend betrekking had op aanspraken van haar overleden echtgenoot, waardoor haar rechtstreekse betrokkenheid ontbrak.

De Raad oordeelde dat verweerster ten onrechte het bezwaar van eiseres had ontvangen en vernietigde het bestreden besluit. Het bezwaar van eiseres tegen het oorspronkelijke besluit werd alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast werd verweerster veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het bezwaar van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij het herzieningsverzoek.

Uitspraak

02/2417 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 januari 2002 heeft verweerster naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van eiseres een besluit genomen over de aanspraken van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Dit besluit is, na daartegen gemaakt bezwaar, door verweerster bij besluit van 29 maart 2002, kenmerk JZ/V70/2002/0227, gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen het besluit van 29 maart 2002 bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft zij aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2003. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde W.F. Bekker, wonende te Venlo. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Op een in juni 1998 gedane aanvraag van [betrokkene] om toekenning van een periodieke uitkering heeft verweerster bij besluit van 28 december 1999 naar aanleiding van tegen haar eerder besluit gericht bezwaar, beslist dat [betrokkene] vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet, doch hem een periodieke uitkering geweigerd op de grond dat hij uit hoofde van zijn in verband met de vervolging staande psychische klachten niet is geïnvalideerd in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet. Het tegen laatstgenoemd besluit ingesteld beroep is bij uitspraak van de Raad van 6 september 2001, nummer 00/498 WUV, ongegrond verklaard.
Bij schrijven van 28 september 2001 heeft eiseres bij verweerster een verzoek ingediend tot herziening van eerder genoemd besluit van 28 december 1999. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 14 januari 2002 op de grond dat er geen redenen zijn het eerder genomen besluit te herzien nu geen relevante nieuwe feiten of gegevens zijn aangevoerd noch sprake is van gewijzigde omstandigheden. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerster het thans bestreden besluit genomen. In dit besluit is overwogen dat is geconstateerd dat eiseres het verzoek om herziening na het overlijden van haar echtgenoot heeft ingediend en dat ingevolge de Wet postuum ingediende aanvragen niet-ontvankelijk zijn en alleen al op grond daarvan had moeten worden afgewezen. Omdat het besluit van 14 januari 2002 op andere gronden was afgewezen, heeft verweerster voorts overwogen ten aanzien van die gronden niet tot een andere conclusie te zijn gekomen. Verweerster heeft daarop haar besluit van 14 januari 2002 gehandhaafd met ongegrondverklaring van het daartegen ingediende bezwaar.
In beroep heeft eiseres de juistheid betwist van verweersters niet herziene standpunt dat geen sprake was van invalidering van [betrokkene].
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet zich in het onderhavige geval in de eerste plaats gesteld voor de ambtshalve te beoordelen vraag of verweerster eiseres terecht in haar bezwaar heeft ontvangen. In dit verband moet worden bezien of eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) kan worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 1:2 van Pro de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De Raad tekent hierbij aan dat het enkele feit dat eiseres een verzoek heeft ingediend en geadresseerde is van de daarop genomen primaire beslissing, onvoldoende is om haar als belanghebbende in de zin van de Awb aan te merken. Artikel 1:2 van Pro de Awb vereist materiële betrokkenheid bij de aangelegen-heid, waarop de primaire beslissing betrekking heeft. Daarbij is van belang dat in de Awb onderscheid wordt gemaakt tussen aanvragen (verzoeken van een belanghebbende) en andere verzoeken (niet afkomstig van een belanghebbende).
Artikel 1:3 van Pro de Awb bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
Gegeven dat het verzoek van eiseres uitsluitend betrekking heeft op (herziening van) aanspraken van haar overleden echtgenoot wordt naar het oordeel van de Raad aan de ingevolge artikel 1:2 van Pro de Awb vereiste rechtstreekse betrokkenheid niet voldaan. Verweerster had, zoals door haar ook is aangegeven, in reactie op het verzoek van eiseres kunnen volstaan met de mededeling dat eiseres geen belanghebbende is bij het verzoek om herziening van het ten aanzien van haar overleden echtgenoot genomen besluit.
Nu verweerster inhoudelijk op het verzoek van eiseres heeft beslist, volgt uit het voorgaande dat verweerster bij het thans bestreden besluit ten onrechte eiseres in haar bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2002 heeft ontvangen. Het bestreden besluit komt op die grond voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat verweerster had moeten doen, het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 januari 2002 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke bespreking van hetgeen eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, komt de Raad in de gegeven omstandigheden niet toe.
De Raad ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Hij begroot deze kosten op € 31,56, zijnde de reiskosten van de gemachtigde van eiseres.
Een en ander leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 januari 2002 alsnog niet-ontvankelijk;
Veroordeelt verweerster tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 31,56, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het door eiseres betaalde griffierecht van€ 27,- aan eiseres vergoedt.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter, mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) A. Kovács.
HD
15.07