ECLI:NL:CRVB:2003:AN8957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsverplichting ondanks recidief tumor bij appellant
Appellant, geboren in 1956, onderging in 1996 een operatie vanwege een Grawitztumor aan de linker nier. Na afloop van de wachttijd werden uitkeringen op grond van de AAW en WAO geweigerd, wat in rechte onaantastbaar werd verklaard. Vervolgens kreeg appellant een bijstandsuitkering toegekend onder de norm voor gehuwden.
De gemeente liet de GGD beoordelen of appellant de arbeidsverplichting uit artikel 113 Abw Pro kon worden opgelegd. De GGD-arts concludeerde dat appellant geschikt was voor lichte tot middelzware arbeid, waarop de arbeidsverplichting werd gehandhaafd. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door de gemeente en later door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat door de recidief tumor in 2001 en de daaropvolgende operatie in 2002 zijn klachten een objectief medisch substraat hadden gekregen en dat hij psychisch zo belast was dat werken niet mogelijk was. De Raad oordeelde dat de medische stukken geen bewijs leverden dat appellant ten tijde van het geschil niet in staat was passende arbeid te verrichten. De recidief tumor was toen minimaal en langzaam groeiend, en er was geen bewijs van arbeidsongeschiktheid door psychische klachten.
Daarom was het besluit van de gemeente om de arbeidsverplichting op te leggen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De arbeidsverplichting is terecht opgelegd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.