ECLI:NL:CRVB:2003:AN8997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ingezetenschap op grond van Algemene Kinderbijslagwet
Appellante, die in april 2000 vanuit Litouwen naar Nederland kwam en sinds 17 april 2000 een verblijfsvergunning had, stelde zich op het standpunt dat zij op de peildata van het derde en vierde kwartaal van 2000 als ingezetene van Nederland moest worden aangemerkt voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beoordeling van ingezetenschap volgens artikel 2 en Pro 3 van de AKW plaatsvindt aan de hand van de mate van juridische, economische en sociale binding met Nederland. Hoewel appellante een sterke juridische binding had door haar verblijfsvergunning, ontbrak het aan economische binding omdat zij geen arbeid verrichtte en financieel afhankelijk was van haar partner. Daarnaast was er geen sprake van voldoende sociale binding, gezien haar langdurige verblijven in Litouwen, het missen van delen van haar inburgeringsprogramma, het ontbreken van aansluiting bij verenigingen en het late aanmelden van haar zoon op een Nederlandse school.
De Raad concludeerde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellante op de peildata nog niet in Nederland lag, waardoor zij niet als ingezetene kon worden aangemerkt. De uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante op de peildata geen ingezetene van Nederland was en derhalve geen recht had op kinderbijslag.