ECLI:NL:CRVB:2003:AO0241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Herziening maatregel WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij ontslagname
Appellant, werkzaam als schipper bij een rondvaartbedrijf, beëindigde zijn werkzaamheden voortijdig na een conflict met zijn werkgever. Gedaagde stelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden en legde een maatregel op door verlaging van zijn WW-uitkering met 35% gedurende 26 weken, als sanctie voor ontslagname.
De rechtbank vernietigde dit besluit deels en bepaalde een gedeeltelijke weigering van de WW-uitkering. In hoger beroep stelt appellant primair dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid en subsidiair dat een benadelingshandeling ten grondslag had moeten liggen aan de maatregel.
Gedaagde wijzigde zijn standpunt en erkende dat een maatregel wegens benadelingshandeling de meest passende reactie is, waardoor de eerdere maatregel niet langer gehandhaafd wordt. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet kan blijven bestaan en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit te nemen waarbij de maatregel wordt gebaseerd op een benadelingshandeling.