ECLI:NL:CRVB:2003:AO0353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Verwijtbare werkloosheid door ontslag zonder uitzicht op ander werk
Appellant was sinds juni 1998 werkzaam als taxichauffeur bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 29 september 1999 nam hij ontslag vanwege onder meer te late loonbetalingen, niet vergoede overuren, geen loonsverhoging en problemen met vakantiedagen en vakantiegeld.
Appellant had namens zich een vordering ingesteld bij de werkgever, maar nam desalniettemin ontslag zonder het antwoord af te wachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet al het redelijkerwijs mogelijke had gedaan om werkloosheid te voorkomen en dat er geen dringende reden was om het ontslag te rechtvaardigen. Er was geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Het besluit tot weigering van de uitkering bleef in stand en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en wijst de WW-uitkering af.