ECLI:NL:CRVB:2003:AO0414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering bij hervatten gelijksoortige arbeid
Appellante ontving van 20 januari 1997 tot 21 januari 1998 ziekengeld wegens ongeschiktheid voor haar functie als produktiemedewerkster bij Coroos, waar zij peulvruchten aan de lopende band sorteerde. Na deze periode bleef zij ongeschikt voor deze arbeid vanwege knie-, arm- en luchtwegklachten.
Op 25 augustus 2000 trad appellante opnieuw in dienst bij Coroos in dezelfde functie, maar meldde zich op 6 oktober 2000 ziek met klachten die verband hielden met haar eerdere aandoeningen. Gedaagde weigerde de uitkering op grond van artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet, omdat zij reeds 52 weken ziekengeld had ontvangen voor dezelfde arbeid en sindsdien ongeschikt was gebleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde vast dat de oude en nieuwe arbeid qua belastende factoren gelijk waren en dat appellante onafgebroken ongeschikt was gebleven. Hierdoor was de weigering van ziekengeld gerechtvaardigd volgens vaste rechtspraak.
Partijen verschenen niet bij de zitting van 22 oktober 2003. De Raad concludeerde dat het bezwaar terecht ongegrond was verklaard en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellante wegens het verrichten van gelijksoortige arbeid waarvoor zij ongeschikt bleef.