ECLI:NL:CRVB:2003:AO1692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- H.G. Rottier
- A.F.M. Brenninkmeijer
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij boeteoplegging sociale verzekeringspremies
Appellant voerde bezwaar tegen een correctie- en boetenota over 1993, gebaseerd op een opsporingsonderzoek waarbij lonen niet waren verantwoord en premies niet waren afgedragen. De boete was gebaseerd op verklaringen van twee werknemers en een schatting van niet-verantwoorde lonen.
De rechtbank had de boete deels bevestigd, maar appellant stelde dat de redelijke termijn voor afhandeling was overschreden. De Raad overwoog dat de boete als een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM Pro moet worden beschouwd en dat na de aankondiging in 1995 ruim acht jaar was verstreken zonder definitieve afhandeling.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat de boete handhaafde en stelde de boete op nihil. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De boete wordt wegens overschrijding van de redelijke termijn op nihil gesteld en het overige besluit bevestigd.