ECLI:NL:CRVB:2003:AO1698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging verzekeringsplicht en afwijzing restitutie premies werknemersverzekeringen
Appellante, een onderneming in de horeca, heeft verzocht om niet-verzekeringsplicht van haar directeur, de zoon van de enig aandeelhouder, vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding en afwijkende arbeidsvoorwaarden. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), beëindigde de verzekeringsplicht per 19 mei 1999, maar weigerde restitutie van premies die sinds 1994 waren afgedragen.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde de verzekeringsplicht niet met terugwerkende kracht mocht beëindigen vanwege het risico dat een uitkering zou zijn toegekend. Appellante stelde in hoger beroep dat dit risico niet reëel was en dat gedaagde onzorgvuldig had gehandeld omdat de familieverhoudingen bekend waren.
De Raad oordeelt dat appellante haar directeur als werknemer heeft aangemeld en dat gedaagde deze aanmelding terecht heeft geaccepteerd. Er waren geen aanwijzingen om aan de juistheid van de aanmelding te twijfelen. Door jarenlang premie te betalen zonder bezwaar, heeft appellante de verzekeringsplicht geaccepteerd en heeft gedaagde het risico gelopen dat een uitkering zou worden toegekend.
Daarom is de beëindiging van de verzekeringsplicht per 19 mei 1999 terecht en is restitutie van premies vanaf 1994 niet aan de orde. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verzekeringsplicht van de directeur is terecht beëindigd per 19 mei 1999 en restitutie van premies vanaf 1994 wordt afgewezen.