ECLI:NL:CRVB:2003:AO1704

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3545 APPA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 AppaArt. 134 AppaArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening vergoeding raadslid met uitkering gewezen wethouder na gemeentelijke herindeling

Eiser, voormalig wethouder van de gemeente Heteren, ontving vanaf 1 januari 2001 een uitkering op grond van de Algemene wet politieke ambtsdragers (Appa). Na gemeentelijke herindeling werd eiser raadslid van de nieuwe gemeente Overbetuwe en ontving daarvoor een vergoeding. Verweerder bracht deze vergoeding in mindering op de uitkering op basis van artikel 134, derde lid onder c, in samenhang met artikel 130 van Pro de Appa.

Eiser betoogde dat de verrekening slechts naar rato van het verschil in tijdsbesteding en omvang van werkzaamheden tussen de functies van wethouder en raadslid moest plaatsvinden, mede omdat wethouders destijds uit de gemeenteraad werden gekozen en de wethouderswedde een vergoeding als raadslid zou bevatten. Verweerder stelde dat de wet geen ruimte biedt voor een dergelijke interpretatie en dat de vergoeding als raadslid integraal moet worden verrekend.

De Raad overwoog dat artikel 134 Appa Pro expliciet bepaalt dat de vaste vergoeding als raadslid volledig in aanmerking wordt genomen voor de verrekening met de uitkering. De door eiser voorgestane uitleg wordt uitgesloten door de dwingendrechtelijke aard van deze bepalingen en de expliciete vermelding in de wet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Proceskostenvergoeding werd niet toegekend omdat geen gronden aanwezig waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de verrekening van de vergoeding als raadslid met de uitkering als gewezen wethouder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

03/3545 APPA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld tegen het ten aanzien van eiser genomen besluit van verweerder van 24 juni 2003 ter uitvoering van de Algemene wet politieke ambtsdragers (hierna: Appa).
Namens verweerder heeft mr. R.J.G. Schouenberg, werkzaam bij Deloitte & Touche, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 november 2003, waar partijen zijn verschenen bij hun voormelde gemachtigden.
II. MOTIVERING
Blijkens de stukken van het geding heeft verweerder bij besluit van 17 juli 2002 op grond van de artikelen 130 en volgende van de Appa aan eiser als gewezen wethouder van de voormalige gemeente Heteren ingaande 1 januari 2001 een uitkering toegekend. De vergoeding die eiser sedert genoemde datum ontvangt als raadslid van de (na gemeentelijke herindeling ontstane) gemeente Overbetuwe heeft verweerder met toepassing van artikel 134, derde lid onder c, in samenhang met artikel 130, eerste lid onder a, van de Appa, voor verrekening met die uitkering in aanmerking gebracht. Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar, de vermelde verrekening betreffende, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In bezwaar en beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld - samengevat - dat een redelijke uitleg en toepassing van artikel 134 van Pro de Appa dient mee te brengen dat bij de verrekening niet zonder meer het (gehele) bedrag van de vergoeding als raadslid in aanmerking wordt genomen, maar slechts naar rato van het (eventuele) verschil in tijdsbesteding/omvang werkzaamheden tussen de functie van wethouder in de voormalige gemeente Heteren met ca 9.000 inwoners en de functie van raadslid in de huidige gemeente Overbetuwe met ca 40.000 inwoners. Daarbij komt naar eisers mening dat voorheen de wethouders werden gekozen uit de gemeenteraad, zodat in de wethouderswedde een vergoeding als raadslid geïncorporeerd moet worden geacht.
Verweerder is van oordeel dat de Appa voor de door eiser voorgestane uitleg geen ruimte biedt, gezien de expliciete en ongeclausuleerde vermelding in artikel 134, derde lid onder c, van de Appa van de vaste vergoeding als raadslid als voor verrekening in aanmerking komende inkomsten.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 134, eerste lid, van de Appa is bepaald dat de inkomsten die de belanghebbende geniet, met de uitkering worden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Blijkens het tweede lid, voorzover van belang, worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende geniet wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden wethouder te zijn. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder c, worden voor de toepassing van de vorige leden mede als inkomsten aangemerkt de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van de gemeenteraad.
Genoemde bepalingen zijn van dwingendrechtelijke aard terwijl ook anderszins aan verweerder niet de bevoegdheid is gegeven om van deze bepalingen af te wijken.
Met verweerder is de Raad voorts van oordeel dat deze bepalingen voor de door eiser voorgestane uitleg geen ruimte bieden. Integendeel moet uit de expliciete vermelding van de vergoeding als raadslid in het derde lid, onder c, van artikel 134 juist Pro worden afgeleid dat is beoogd om iedere mogelijke discussie terzake, en daarmee ook een uitleg als die van eiser, uitdrukkelijk uit te sluiten.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) I.D. Veldman.
HD
27.11