ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake aanspraak nabestaandenuitkering Algemene nabestaandenwet en toetsing aan internationaal recht
Appellante, weduwe sinds 1996, stelde beroep in tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank die haar recht op een nabestaandenuitkering volgens de Algemene nabestaandenwet (Anw) vaststelde, maar vanwege haar inkomen niet tot uitbetaling liet komen. Zij voerde aan dat deze regeling in strijd is met diverse internationale verdragen, waaronder het Europees Sociaal Handvest en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en dat er sprake is van discriminatie en onbillijke behandeling.
De Raad overwoog dat toetsing aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Sociaal Handvest niet mogelijk is omdat deze niet als eenieder verbindende bepalingen gelden volgens de Grondwet. Ook oordeelde de Raad dat de Anw geen ontneming van eigendom inhoudt omdat er geen gerechtvaardigde verwachting op een aanspraak bestond vóór het overlijden van de echtgenoot. Daarnaast werd geoordeeld dat de inkomensafhankelijke korting in de Anw een legitiem en proportioneel middel is om de doelstelling van de wet te bereiken.
Verder verwierp de Raad de stelling van discriminatie tussen nabestaanden die vóór of na 1 juli 1996 zijn overleden en tussen mannen en vrouwen. Ook werd het beroep op algemene rechtsbeginselen afgewezen, evenals de klacht over schending van artikel 7 van Pro de Algemene wet gelijke behandeling. Tenslotte oordeelde de Raad dat de rechtbank terecht het geding had aangehouden in afwachting van relevante uitspraken en dat de redelijke termijn niet was geschonden.
Op grond van deze overwegingen bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.